Istori Maluku

Geplaatst op 26 april 2012 door Nienke Feis onder Podcasts, Zonder categorie

rms-logo1rms-vlagJaarlijks vindt op 25 april de herdenking plaats van het uitroepen van de Republik Maluku Selatan, de Republiek der Zuid-Molukken, op 25-4-1950 in Ambon. De RMS streeft naar onafhankelijkheid van de Republiek der Zuid-Molukken.

De zelfstandigheid duurde maar kort, Soekarno accepteerde het niet, waarna de oud-KNIL-soldaten die zich bij de RMS hadden aangesloten naar Nederland kwamen. Ze kwamen ‘tijdelijk’,  in afwachting van “repatriëring” die er nooit kwam. Maar wel werden de Zuid-Molukkers in barakken gestopt. Ze mochten niet inburgeren, werken of Nederlands leren. De spanningen lopen op, spanningen die in de jaren ‘60 en ‘70 zouden leiden tot harde acties: de gijzelingsacties, met doden tot gevolg.
In 1990 besteedt Het Spoor Terug in een zesdelige serie aandacht aan de geschiedenis van de Zuid-Molukkers in Nederland: Istori Maluku
Beluister al deze zes afleveringen. De uitgebreide beschrijvingen van alle afleveringen staan onderaan dit bericht.
Aan deze serie werd meegewerkt door Paul van der Gaag, Marnix Koolhaas, Jacqueline Maris en Jan Beckers (aflevering 3), en Kees Slager. Presentatie: Arie Kleijwegt en Yvonne Scholten (afl. 3).


Istori Maluku

9 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 1: Het dienstbevel

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Podcast

Deze eerste aflevering gaat over de situatie van Ambonezen en KNIL-militairen na de soevereiniteitsoverdracht.
In 1949 vindt de soevereiniteitsoverdracht plaats en wordt Indonesië onafhankelijk. Het KNIL is overbodig geworden en inheemse KNIL-strijders kunnen kiezen: dienst nemen in het Indonesisch leger of als burger terug naar de geboortestreek. Ambonese KNIL-strijders kunnen echter niet terug naar Ambon, omdat daar een vrijheidsstrijd woedt. 4.000 van hen worden na een maandenlang juridisch gevecht ‘tijdelijk opgezonden’ naar Nederland.

16 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 2: Het kamp

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

kamp-lunetten
Podcast

Deze aflevering gaat over het leven in de woonoorden.
Wanneer in 1951 eenmaal in Nederland worden de dertienduizend Molukkers verspreid over meer dan zeventig zogeheten woonoorden: voormalige DUW-kampen, kloosters en concentratiekampen, met centrale keukens en waar de bewoners moeten rondkomen van een zakgeld van drie gulden per persoon per week. Werken is hen verboden en dat is de reden dat de mannen doen alsof ze niet uit de militaire dienst ontslagen zijn: elke ochtend is er appel en er wordt druk gemarcheerd onder leiding van sergeants, die ook verder in het kamp de baas zijn.

23 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 3: Moluks drama te Westkapelle

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Podcast

monument-westkapelleDeze aflevering gaat over het verzet in het kamp in Westkapelle tegen het afschaffen van de overheidszorg voor Molukkers. Als in 1956 de Nederlandse regering de zogenaamde ‘zelfzorgmaatregel’ afkondigt, stuit dat in veel opvangkampen voor Molukkers op verzet. In het Zeeuwse Westkapelle beantwoordt de burgemeester de onrust in het plaatselijke kamp door de speciale politie-eenheid ‘De Harde Bijstand’ in te zetten. Het gevolg is een schietpartij met negen gewonden. Verscheidene mannen komen in de gevangenis terecht, gezinnen worden gedeporteerd.
In februari 2012 is deze schietpartij weer in het nieuws. Er gaan stemmen op om onafhankelijk onderzoek te laten uitvoeren naar de schietpartij, die nog steeds leeft onder Molukkers.

30 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 4: De wijk

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

soumokil

Podcast

Deze aflevering gaat over de beginnende integratie van de Molukkers door hun verhuizing van de woonoorden naar wijken met stenen huizen.
In het begin van de jaren ‘60 worden de meeste  afgebroken. Ze maken plaats voor wijken met stenen huizen, dichter bij de bewoonde wereld. De kinderen gaan naar Nederlandse scholen en trouwen daarna steeds vaker met een blanke partner. Toch gaat de integratie moeizaam, gevangen als de meeste jongeren zitten tussen de Nederlandse cultuur en het Molukse ideaal van een snelle terugkeer.
Als in 1966 de laatste verzetsleider in de Molukken, dr. Soumokil, door de Indonesische regering wordt terechtgesteld, begint de radicalisering onder de jongeren in Nederland.

6 november 1990, Istori Maluku, aflevering 5: De harde acties

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

bestorming-indonesiche-ambassade

Podcast

Deze aflevering gaat over de radicalisering van Molukse jongeren, die uitloopt op harde acties.
In de loop van de jaren zestig vindt onder Molukse jongeren een politieke radicalisering plaats. De tweede generatie treinkaping-wijster-bron-beeldbankZuid-Molukkers weigert zich neer te leggen bij de onmogelijkheid terug te kunnen keren naar de Molukken. De Nederlandse regering moet stappen ondernemen. In 1966 slaat de vlam in de pan en de Indonesische ambassade in Den Haag wordt in brand gestoken. In 1970 wordt de Indonesische residentie in Wassenaar bezet. In 1975 wordt een trein gekaapt bij het Drentse Wijster en de Indonesische ambassade bezet. In 1977 worden de intercitytrein Zwolle-Groningen en een lagere school in Bovensmilde bezet. Bij het bevrijden van de trein vallen 8 doden.
Interviews met o.a. een Molukker die betrokken was bij de eerste acties en met Molukkers over de gevolgen van de acties binnen de Molukse gemeenschap, zowel als daarbuiten.

13 november 1990, Istori Maluku, aflevering 6: De toekomst

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Podcast

Deze aflevering gaat over de integratie in de Nederlandse samenleving na bijna 40 jaar verblijf in Nederland. De jaren ‘80 worden gekenmerkt door nieuwe aandacht voor de Molukse cultuur.
Interviews met:
- dokter Frans Tutuhatunewa, verbonden aan de Stichting Tjandu, hulpverlening aan Molukse drugsverslaafden;
- Juul Mustamu en Peter Schouten, redactieleden van het, inmiddels opgeheven, Molukse jongerenblad Tjenkeh;
- Lies Tohata, dochter van oud-KNIL-er, over militaire pensioenen;
- Corrie Steensma-Pattipeilohy, over onderwijs aan Molukse kinderen;
- Robilmas Rahantoknam en Rosa Renwarin, over hun bezoek aan het geboortedorp van hun opa’s.
- Tom Tomasowa, over terugkeer naar Ambon, en over behoud van de Molukse cultuur;
- Elias Rinsampessy over eventuele terugkeer naar de Molukken;
- Fien Sihasale, over het verlaten van jongeren van de Molukse wijken, en over de oude politieke idealen.
- Billy Buhuku, over het behoud van de Molukse cultuur;
- pedagoog Otjep Rahantoknam, over Molukse identiteit en cultuur;
- Andy Moniharapon, over Molukse demonstraties die onlangs zijn geweest;
- profetie van het Indonesische orakel Joyobaye.

Uitgebreide teksten van deze serie


9 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 1: Het dienstbevel

Deze eerste aflevering gaat over de situatie van Ambonezen en KNIL-militairen na de soevereiniteitsoverdracht.
In 1949 vindt de soevereiniteitsoverdracht plaats en wordt Indonesië onafhankelijk. Het KNIL is overbodig geworden en inheemse KNIL-strijders kunnen kiezen: dienst nemen in het Indonesisch leger of als burger terug naar de geboortestreek.
Ambonese KNIL-strijders kunnen echter niet terug naar Ambon, omdat daar een vrijheidsstrijd woedt. 4.000 van hen worden na een maandenlang juridisch gevecht ‘tijdelijk opgezonden’ naar Nederland.
Uitgebreide beschrijving
Tekst 1
Na een ruim vier jaren durende vergeefse strijd om de macht in de voormalige kolonie, draagt Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit over de Indonesische archipel over aan de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië. Bij die overdracht wordt besloten dat het KNIL, het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, uiterlijk een half jaar later zal zijn opgeheven. De ruim 50.000 inheemsen die bij het KNIL dienen, worden voor de keus gesteld om of over te gaan naar het leger van de nieuwe republiek (de APRIS) of om af te vloeien als burger op een plaats, die ze zelf mogen uitkiezen. Verreweg de meesten kiezen voor overgang naar de APRIS. Maar voor de KNIL’ers, die uit de Molukken afkomstig zijn, blijkt de keus bijzonder moeilijk. Het liefst blijven ze militair, maar als meest trouwe dienaren van de Nederlanders durven velen niet te kiezen voor de overstap naar het leger van de voormalige vijand.
In april 1950 weten 4.900 KNIL-Molukkers nog steeds niet wat ze moeten doen. Velen leven in grote spanning; een spanning die alleen maar toeneemt als blijkt dat de Indonesische regering niet van plan is om zich te houden aan de afspraak, dat het land zal gaan bestaan uit een federatie van staten. Al snel wordt duidelijk, dat Jakarta de macht aan zich trekt en van Indonesië een eenheidsstaat maakt. Op 5 april levert dat een opstand in Makassar op Celebes op, waarbij de daar nog aanwezige KNIL’ers de kant van de opstandelingen kiezen. De opstand, waarbij ook dr. Chris Soumokil betrokken is, mislukt overigens al na enkele dagen Maar overal, waar Molukse KNIL-ers bij elkaar zitten, heerst grote spanning; zo herinnert Guus Siwaletty, die naar Java is overgebracht, zich:
tekst 2
De opstand op Celebes is amper neergeslagen of, op 25 april 1950, op Ambon wordt de Republiek der Zuid Molukken (kortweg RMS) uitgeroepen. En weer zijn KNIL-militairen nauw betrokken bij deze nieuwe opstand. Voor de tot dan toe aarzelende KNIL’ers in de rest van de republiek, is de keuze nu plotseling gemakkelijk geworden. Zo ook voor Bindoni Patinasari, die op Borneo zit.
tekst 3
De keuze van de KNIL-Molukkers om op Ambon te demobiliseren wordt na de opstand geblokkeerd door de Indonesische regering, die er weinig zin in heeft om de opstandelingen te laten versterken met vierduizend goed getrainde soldaten. Alle KNIL-Molukkers worden nu samengebracht in vier kampen op Java en hen wordt te verstaan gegeven dat, als ze willen demobiliseren, ze dat maar op Java moeten doen. En natuurlijk zijn ze nog steeds welkom in het APRIS. Volgens Peter Soumokil was dat geen keuze.
tekst 4
Er zijn Molukkers, die al in de winter van ‘50 besloten hebben om toch maar over te stappen naar de APRIS. Een van hen is Tom Tomasowa. De eerste tijd in het leger van de republiek valt niet tegen. Maar dan hoort hij dat op Ambon de RMS is uitgeroepen en tegelijk loopt hij de kans om als korporaal bij de APRIS te worden ingezet tegen zijn eigen volk.
Tekst 5
Het uitroepen van de vrije republiek der Zuid-Molukken zorgt er niet alleen voor dat de Molukkers in dienst van het KNIL voor een moeilijke keus komen te staan. Ook Molukkers bij de marine moeten kiezen. Toch is er een belangrijk verschil. De KNIL-militairen kunnen slechts kiezen tussen ontslag ter plaatse of overgang naar het Indonesische leger, terwijl de mariniers drie keuzemogelijkheden hebben. Isaac Lambertus Salampessy is sinds vier jaar in dienst van de marine.
Tekst 6
Als in juli 1950 het KNIL definitief is opgeheven zijn er nog 4000 Molukse militairen die blijven weigeren over te gaan naar het Indonesische leger en alleen op de Molukken gedemobiliseerd willen worden. Deze groep is met hun gezinnen in Kampementen op Java ondergebracht en heeft tijdelijk de status van militair bij de Koninklijke Landmacht gekregen.
Bindoni Patinasarani is al enige tijd voor de opheffing van het KNIL van Borneo naar Java overgebracht.
Tekst 7
Door de vijandige houding van de Javaanse bevolking leiden de Molukkers een geïsoleerd bestaan in de kampen. Riek Leiwakapessy is de dochter van een KNIL-militair. Ze is dan 17 jaar en woont met haar ouders in de kazerne. Volgens Leiwakapessy zijn niet alleen de Javanen vijandig. Ook voor Patimura’s, Molukkers die voor Indonesië hadden gekozen moest je oppassen.
tekst 8
Intussen wordt in loop van de zomer de dreiging vanuit Jakarta in de richting van de opstandelingen op de Molukken steeds groter. Waar eerst nog gesproken wordt van ‘redelijk overleg’ om tot een oplossing te komen, volgt al snel de dreiging met een blokkade van de opstandige eilanden en als dat niet helpt zal er militair worden ingegrepen. De  Molukse KNIL’ers die in de Javaanse kampen bijeen zijn gedreven, horen het allemaal werkeloos aan en verbijten zich. Peter Soumokil.
tekst 9
De vraag mag gesteld worden, wat Nederland ondernam om het probleem met de KNIL-Molukkers op te lossen. De Nederlanders hadden tenslotte nog steeds de verantwoordelijkheid voor de vierduizend man en hun gezinnen. Bovendien hield Indonesië zich duidelijk niet aan de afspraken die bij de soevereiniteitsoverdracht bekrachtigd waren, namelijk dat er een Verenigde Staten van Indonesië zou komen (waar binnen plaats was voor een republiek in Oost Indonesië) èn de afspraak dat elke KNIL’er zou mogen afvloeien op de plaats van zijn eigen keuze.
Over de activiteiten van de Nederlandse regering de toenmalige minister president Drees in een radiotoespraak uit 1962.
tekst 10
Het voorzichtige Nederland bereikt niets voor de Molukkers, die na november 1950 (als de RMS op Ambon is verslagen door het Indonesische leger) overigens wel toestemming krijgen om op Ambon af te vloeien. Maar dan willen ze niet meer omdat Ambon dan in hun ogen ‘bezet gebied’ is geworden. Ze willen nu gedemobiliseerd worden op het Molukse eiland Ceram, waar een restant van de RMS’er, een guerrilla-oorlog is begonnen. Maar dat weigert Indonesië natuurlijk. Als laatste mogelijkheid kiezen de Molukkers dan voor overbrenging naar Nieuw Guinea, dan nog een Nederlandse kolonie. Maar weer ligt Jakarta dwars: Nieuw Guinea moet nog worden ingelijfd en dan zijn duizenden Molukse militairen op dat eiland alleen maar potentiële tegenstanders. Steeds dreigender komt in de winter van 1950 op ‘51 het besluit op de Molukkers af dat ze gedwongen zullen worden toch naar Ambon te gaan of op Java te worden gedemobiliseerd. Intussen is er echter een delegatie ex-KNIL’ers onder leiding van sergeant-majoor Aponno naar Nederland afgereisd. Met de hulp van advocaten van de stichting ‘Door d’Eeuwen Trouw’ wordt een geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden. En dat geding wordt - tot aan de Hoge Raad - gewonnen: Nederland mag de Molukkers niet laten afvloeien op een plaats, waar de Indonesische regering de baas is. Dan immers zijn ze hun leven niet zeker, zo oordeelt de rechter. Dan blijft er niets anders meer over dan de hele groep (inclusief hun gezinnen, wat neerkomt op bijna 13.000 mensen) te verschepen naar Nederland. Aponno is er voor. Hij hoopt dat de Nederlandse regering het advies van de rechter zal volgen en hen - via een tijdelijk verblijf in Nederland - toch naar Nieuw Guinea zal brengen. Maar op Java wordt nog steeds geaarzeld. Tot er een ‘dienstbevel’ komt om zich te laten inschepen en het eerste schip in de haven van Soerabaja verschijnt. Maar dan nog is er een truc nodig om de eersten aan boord te krijgen, vertelt Peter Soumokil.
Tekst 11
Bij veel Molukkers is het vertrouwen in Nederland inmiddels danig geslonken. Hun land is verkwanseld aan Indonesië en in plaats van ze op Nieuw Guinea te laten demobiliseren, krijgen ze het bevel naar Nederland te komen. Alexander  Hitipeuw voelt daar weinig voor, maar hij is nu eenmaal militair en bevelen moeten opgevolgd worden in het leger.  Met tegenzin scheept hij zich in.
Tekst 12
Niet iedereen ziet de overtocht met zoveel zoveel wantrouwen tegemoet. Guus Siwaletty heeft er wel zin in. Hij heeft altijd al graag naar Nederland willen gaan.
tekst 13
Dat doet inderdaad zeer. Voor ze zich op Java hebben laten inschepen is de Molukkers niet duidelijk geworden, dat  hun tijdelijke KL-status bij aankomst in Nederland zal worden beëindigd. Volgens instructies van de Nederlandse  regering had hen dat wel duidelijk gemaakt moeten worden. Maar het gebeurt pas als ze al in Nederland zijn. Sommigen, zoals Tom Tomasowag, horen het als ze nét met hun schip in de haven zijn gearriveerd.
tekst 14
Bij alle verbijstering over de mededeling, dat ze ontslagen zijn uit militaire dienst, is er bij veel Molukkers toch ook nog een ander ‘gevoel als ze voet aan wal zetten in Nederland.
Peter Soumokil.
Tekst 15
Het is niet alleen gebrek aan eten, waardoor de Molukkers zich niet direct senang voelen in Nederland. Ook de gebrekkige behuizing in kampen staat in schril contrast met het gastvrije onthaal dat ze in Nederland verwacht hadden. Bindoni Patisarany wordt van Amersfoort afgevoerd naar een kamp in Woerden.
Tekst 16
Ontslagen en weggestopt in kampen wachten ze op terugkeer naar Ambon, of, als dat niet kan, naar Nieuw Guinea. Werken mogen ze niet van de Nederlandse regering. Als dank voor bewezen diensten krijgen ze Hollands eten uit een gaarkeuken en drie gulden zakgeld per week. Heel anders vergaat het de Molukse mariniers. Zij blijven gewoon in dienst. Als marinier Isaac Lambertus Salampessy in Rotterdam aankomt is de ontvangst dan ook heel anders als die van de KNILmensen.
Tekst 17
Tien jaar lang doen de Molukse mariniers als vreemdeling dienst, want het duurt tot 1961 voor ze genaturaliseerd worden tot Nederlander. Maar wat voor de marine geen probleem is, is het voor de landmacht wel. Guus Siwaletty is militair in hart en nieren en probeert direct na zijn ontslag op allerlei manieren weer in het leger te komen.

16 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 2: Het kamp

Deze aflevering gaat over het leven in de woonoorden.
Wanneer in 1951 eenmaal in Nederland worden de dertienduizend Molukkers verspreid over meer dan zeventig zogeheten woonoorden: voormalige DUW-kampen, kloosters en concentratiekampen, met centrale keukens en waar de bewoners moeten rondkomen van een zakgeld van drie gulden per persoon per week. Werken is hen verboden en dat is de reden dat de mannen doen alsof ze niet uit de militaire dienst ontslagen zijn: elke ochtend is er appel en er wordt druk gemarcheerd onder leiding van sergeants, die ook verder in het kamp de baas zijn.
Uitgebreide beschrijving:
Tekst 1
In het begin van 1951 wordt duidelijk dat de Molukse oud-KNIL militairen alleen nog naar Nederland kunnen worden overgebracht. De Nederlandse regering had ze het liefst in Indonesië achtergelaten, maar dat is door de rechter  verboden omdat hun leven daar niet veilig is. Als het eerste schip met oud-KNIL-lers op 20 maart 1951 in Rotterdam aanmeert, is er voor de opvang nog nauwelijks iets georganiseerd. Het grootste probleem betreft de huisvesting van de bij aankomst uit actieve dienst ontslagen soldaten met hun gezinnen: in totaal 12 en een half duizend Molukkers. De woningnood onder de eigen bevolking is nog enorm, waardoor er een noodvoorziening getroffen moet worden. Omdat de meeste Molukkers gewend zijn aan het tangsi-leven, het leven in de voormalige kazernes van het KNIL in Indië, worden allerlei kampen op het laatste moment in gereedheid gebracht voor hun opvang. Het zijn veelal kampen die in de oorlog als concentratiekamp zijn gebruikt, of direct na de oorlog als DUW-kamp voor tewerkgestelde arbeiders. Het is de enige mogelijkheid om de Molukkers tijdelijk te huisvesten. Hoewel er geen oplossing in zicht is, blijft de regering ervan uit gaan dat de ex-soldaten spoedig weer naar hun eigen land zullen terugkeren.
De Molukkers zelf hebben bij hun aankomst geen idee wat hun te wachten staat, behalve dat ook zij verwachten spoedig weer terug te keren. Moeder en dochter Hitijahubessy wachten hun lot gelaten af in het demobilisatiecentrum in Amersfoort, waar alle Molukkers geregistreerd worden.
Tekst 2
De Molukkers worden in totaal in 75 kampen, verspreid over het hele land, gehuisvest. De grootste kampen zijn de voormalige concentratiekampen in Vught en Westerbork. Koos Taihuttu krijgt met de rest van zijn gezin in het doorgangskamp in Amersfoort de letter ‘0′ opgespeld, zonder dat hij weet wat dat betekent. Pas als hij de bus uitstapt, merkt hij dat in het kamp Schutsluizen bij Tiel terecht is gekomen.
Tekst 3
Eten is voorlopig de belangrijkste bezigheid van de Molukkers in de kampen. Werken mogen ze voorlopig niet, omdat de regering bang is dat ze de plaatsen van Nederlanders innemen. De leiding over de kampen berust bij de beheerder, een Nederlander die op het kamp zelf in een eigen huis woont. Voor de dagelijkse gang van zaken voert hij overleg met de kampraad, de vertegenwoordiging van de bewoners. Het toezicht over de kampen wordt uitgeoefend door het CAZ, het Commissariaat Ambonezenzorg. Regionale commissarissen bezoeken regelmatig de kampen. Niet in alle kampen is de huisvesting even slecht. Guus Siwaletty heeft het redelijk getroffen. Met zijn vrouw en vier kinderen heeft hij de beschikking over twee behoorlijke kamers in een voormalig klooster in Limburg, waar zo’n 30 Molukse gezinnen zijn ondergebracht. Siwaletty klaagt dan ook niet over de opvang, maar toch was het leven ook voor hem de eerste jaren niet makkelijk.
Tekst 6
Het is voor de Molukkers niet overal moeilijk om contact te leggen met de Nederlandse bevolking. Tom Tomassowa, die in Schattenberg is ondergebracht, heeft een geheel andere ervaring.
Tekst 7
Het verschil tussen het leven in de kampen en dat in de omliggende Nederlandse dorpen en steden, is niet alleen het verschil tussen oost en west. Het is ook het verschil tussen het burgerbestaan en dat van de militair. In de kampen wordt het kazerneleven van vroeger zoveel mogelijk nagebootst. In ieder kamp wordt een kampraad gevormd, waarin de hoogste in rang nog steeds de baas is. In Sluis, een kamp bij Woerden, heeft sergeant-majoor Bindoni Patinasarani het voor het zeggen.
tekst 8
Een in de oorlog door de Duitsers gebouwd militair complex in het Gelderse Teuge dient als huisvesting voor een grote groep Molukkers. Met Jordan Renleo en Tilly Patipeilohy, die nu in de Molukse wijk in het nabijgelegen Twello wonen, lopen we over het kampterrein, tegenwoordig dat tegenwoordig in gebruik is bij het Nederlandse leger.
tekst 9
Omdat de kampen vaak afgelegen liggen, is er weinig contact met Nederlanders. De kinderen naar hun eigen kampschool, en worden volgens de Molukse adat, de traditionele leefregels, opgevoed. Ook Lies Tohata, Lena Hallatu en Tilly Patipeilohy groeien in kamp Teuge op in een afgeschermd milieu.
tekst 10
Om het contact met Nederlandse gezinnen te bevorderen, mogen Molukse jongeren in de vakantietijd bij Nederlandse gastgezinnen komen logeren. Koos Taihuttu, die dan in het kamp Blerick bij Venlo woont, is één van de kinderen die zich daarvoor opgeeft.
tekst 11
Het stiekem gaan werken, waar ook Koos Taihuttu de ouderen mee helpt, komt in het begin veel voor. Peter Soumokil is één van die ouderen, die er zelf op uittrekt.
Tekst 12
Er zijn oorzaken genoeg aan te wijzen, voor de regelmatig voorkomende conflicten. Slechte behuizing, geen werk en nauwelijks geld. Maar volgens Alexander Hitipeuw is de keuken de belangrijkste bron van ergernis.
Tekst 13
Bij de conflicten gaat het niet altijd om de kwaliteit van het eten. Te weinig eten is ook reden om de beheerder aan te pakken. Riek Leiwakapessy.
Tekst 14
Na verloop van tijd nemen de problemen rond het eten af, omdat in de meeste kampen de bewoners het eten in de gaarkeukens zelf gaan klaarmaken. Zo ook in kamp Sluis, waar Bindoni Patinasarani na overleg met de beheerder en de inspecteur van het Commissariaat Ambonezenzorg, toestemming krijgt om het koken in eigen hand te nemen. Als kampoudste en leider van de kampraad vertegenwoordigt hij de bewoners.
tekst 15
In weinig kampen lukt het de Molukse kampraad om de eenheid onder de bewoners te bewaren. Dat komt door de politieke verdeeldheid, die vanaf het begin in de kampen heerst. Er zijn twee grote partijen: de BPRMS, de volksvertegenwoordiging van de Molukken die wel over de sociale problemen met de Nederlandse overheid wil onderhandelen, en de CRAMS, het Comité Rechtspositie Ambonese Militairen en Schepelingen, dat elke  tegemoetkoming aan de Nederlandse overheid afwijst. In de meeste kampen wonen aanhangers van beide partijen, wat tot grote spanningen leidt.
Teuge is één van de kampen waar een felle strijd uitbreekt. Lies Tohata en Lena Hallatu zijn er als kleine meisjes getuige van dat de fanatieke CRAMS-leden na onderlinge gevechten uit de kampen worden weggevoerd.
Tekst 16
Om de rust in de kampen te herstellen, worden de meeste aanhangers van de CRAMS gedwongen om naar eigen kampen te verhuizen. Accepteren zij het overheidsbeleid niet, dan komen zij in strafkampen terecht waar ze van de buitenwereld worden afgesloten. Ze zitten daar samen met leden van de PNMS, een kleine maar nog fanatiekere partij.
Omdat haar vader aanhanger is van deze partij, verblijft Irene Hitijahubessy bijna drie jaar in strafkampen in Vlissingen en Burghsluis. Daarna moet ze weer naar een ander strafkamp.

23 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 3: Moluks drama te Westkapelle

Deze aflevering gaat over het verzet in het kamp in Westkapelle tegen het afschaffen van de overheidszorg voor Molukkers.
Als in 1956 de Nederlandse regering de zogenaamde ‘zelfzorgmaatregel’ afkondigt, stuit dat in veel opvangkampen voor Molukkers op verzet. In het Zeeuwse Westkapelle beantwoordt de burgemeester de onrust in het plaatselijke kamp door de speciale politie-eenheid ‘De Harde Bijstand’ in te zetten. Het gevolg is een schietpartij met negen gewonden. Verscheidene mannen komen in de gevangenis terecht, gezinnen worden gedeporteerd.
Uitgebreide Beschrijving
Tekst 1
Daar waren ze. Dertienduizend gekleurde mensen, zo uit een tropisch land naar Nederland vervoerd. Voor tijdelijk. Nu, vijfendertig jaar later, wonen de meesten hier nog, zij het niet meer in de kampen van destijds, maar in speciale
Molukse wijken. Alleen kamp Lunetten in Vught is nog bewoond, maar wordt met opheffing bedreigd. De Molukse gemeenschap telt nu veertigduizend mensen. Van de 25 april 1950 uitgeroepen onafhankelijke Republiek Maluku Salatam, de RMS, is tot op heden nog niets gekomen, omdat niet lang daarna Indonesië de eilandengroep bezette. Het lijkt erop dat niemand ter wereld het Molukse streven naar onafhankelijkheid serieus neemt, behalve misschien het West-Afrikaanse land Benin, het enige land dat een Moluks consulaat binnen zijn grenzen heeft.
Toen de vierduizend KNIL-militair-, met hun gezinnen hier aankwamen, gingen ze ervan uit dat het voor tijdelijk zou
zijn. Straks zouden ze echt worden gedemobiliseerd, op de Molukken. Ze mochten immers volgens hun militair contract zelf een plaats kiezen voor de demobilisatie en dat was niet Nederland.
Daarom gingen ze ervan uit dat ze nog steeds in Nederlandse overheidsdienst waren en dat die overheid dan maar voor hen moest zorgen. Dat gebeurde in het begin ook. De Molukkers kregen zakgeld, drie gulden per volwassene, twee gulden per kind per week, ze kregen kledinggeld, hadden op hun Nederlandse kampongs een centrale keuken en hoefden niet voor brandstof en elektra te betalen. Maar Nederland werd die verzorging zat. En in april 1956, als blijkt dat de Molukkers niet uit zichzelf terugkeren naar Indonesië, worden er stappen ondernomen om onder de verzorgende taak uit te komen. Op het ministerie van maatschappelijk werk, waar een speciale ploeg ambtenaren, het CAZ, commissariaat Ambonezenzorg, zich bezighoudt met de Molukse problematiek, wordt de zogeheten zelfzorgmaatregel ontworpen, vijf jaar na aankomst van de Molukkers in Nederland. De centrale keukens moeten afgebroken worden, de uitkeringen stopgezet en de mensen moeten maar voor zichzelf zorgen en werk zoeken. Gewoon vernederlandsen dus. Een paar kampen gooien de kop in de wind; ze breken de gezinskeukens achter de barakken af en weigeren elke medewerking. In het kamp Westkapelle ontploft de bom na vier maanden geen voedsel en geen uitkering: de mannen gaan naar het dorp om bij de plaatselijke winkeliers zonder te betalen hun dagelijkse levensbehoeften te halen.
Een paar uur later staat de Harde Bijstand der politie op de stoep, met helmen en karabijnen, die op scherp staan.
tekst 2
Alle bewoners van kamp Westkapelle waren lid van de Partai Nasional Maluku Selatan, de PNMS die als enige van de Molukse organisaties consequent weigerde de zelfzorgmaatregel te aanvaarden. Na vier maanden honger trok op een zaterdagmiddag een groep Molukse mannen het dorp Westkapelle in om zonder geld boodschappen te doen. Volgens de winkeliers werd er vooral rijst, suiker en brood meegenomen. Ursepuny, die zeven kinderen te voeden had was een van hen.
Tekst 3
Majoor Ballegooyen de Jong, nu rond de zeventig, was in die tijd districtscommandant der rijkspolitie voor de provincie Zeeland. Hij deelde de lakens uit en gaf instructies aan zijn mannen. Zijn mannen blijken moeilijk te achterhalen, de archieven zijn leeg of opgeruimd, of de informatie is niet voor derden bedoeld. Na lang zoeken vinden we een paar namen. Maar wachtmeester Stroo, de man die volgens de officiële versie geschoten heeft, is overleden, evenals agent Wijkhuis, die in de voorste gelederen stond. Anderen willen niet meer praten over het verleden, zoals
Kloosterman en van der Putte. De commandant wil wel. Hij wacht ons op voor de poort van zijn villa die ver weg in de Veluwse bossen ligt verscholen. Nee, we kunnen niet bij hem thuis praten, we rijden wel naar een cafeetje in het dorp.
Op sommige momenten dwingt hij ons de bandrecorder te stoppen. Dat is onzin, geouwehoer in de ruimte, zegt hij. Het proces-verbaal dat hij samen met Stroo na de schietpartij heeft opgesteld is niets dan de waarheid. Helaas na vijftien jaar vernietigd.
Van Ballegooyen De Jong:
Tekst 4
Naast de majoor stond Burgemeester Tydeman bij de ingang van het kamp toen het schieten begon. Ook hij wil praten, graag zelfs. Volgens hem is niet de winkelactie de directe aanleiding tot de schietpartij maar het plunderen van een kippenfarm, zoals hij het noemt. Hij kwam vaak in het kamp. Er liepen uitgesexte haantjes door de kamers waar een heel gezin moest wonen en boven de bedden hing vis te drogen, maar verder was het heel gewoon in het kamp.
Tydeman over die ongewone zaterdag.
tekst 5
De gebeurtenissen die op Tydeman weinig indruk maakten verziekte het leven van vooral de Molukkers die gewond waren geraakt. Ursepuny, die twee kogels in zijn been kreeg, loopt nog steeds met moeite en is arbeidsongeschikt verklaard. Lewerissa is vrijwel blind aan een oog en heeft tussen zijn hart en longen nog steeds een kogel zitten die er wegens gevaar voor zijn leven niet uitgehaald kon worden. Die kogel heeft hij dus nog, maar toen hij aan Professor Kolenbrander de kogel vroeg die deze uit zijn oog gehaald had om later als eventueel bewijs te kunnen gebruiken, kreeg hij nul op het rekest.
tekst 6
Hij heeft er nu, na bijna 30 jaar nog steeds niets van gehoord. Voor Lewerissa die als enige van de 9 gewonden naar
het Academisch Ziekenhuis in Leiden werd gebracht werden niet de gebruikelijk CAZ-tolken Verboom en van der Kalk ingeschakeld. Andere vertegenwoordigers van het CAZ zag Lewerissa pas weer toen hij na twee maanden in het strafkamp Oude Zeug, werd ondergebracht.
Tekst 7
Ursepuny was de tweede zwaargewonde. Zijn kuit lag aan flarden en nog is er na dertig jaar op zijn been een gat te zien ter grootte van een rijksdaalder. Het vlees is weg. Na vijf weken ziekenhuis gaat hij linea recta het gevang in. Voor een week maar, want dan blijkt zijn wond nog helemaal niet genezen te zijn en moet hij voor drie weken terug naar het ziekenhuis. 21 september 1956 is de rechtszaak. De veertig arrestanten, 28 uit kamp Westkapelle en twaalf mannen uit Middelburg, allen PNMSleden, moeten voorkomen. De eis: twee maanden waarvan twee onvoorwaardelijk en een proeftijd van twee jaar. Omdat ze al zolang zonder proces in voorarrest zitten hoeven ze nog maar een week in de gevangenis te blijven. Daarna mogen ze eindelijk terug naar huis, naar vrouw en kinderen.
Tekst 8
Eind december raadt van Ballegooyen de Jong de burgemeester aan de dagelijkse gang van zaken in het kamp aan de minister van justitie Samkalden te rapporten. Zo kan er in dat verre Den Haag een beeld ontstaan van wat er in het kamp gebeurt, want uiteindelijk moet er daar over de Molukkers worden besloten. De burgemeester praat zover zijn feuilleton, die hij iedere week zo smakelijk mogelijk probeerde te schrijven. De ambtenaren in Den Haag zaten er iedere week op te wachten, zo zegt hij. In de rapportage vind je een heleboel van de genomen maatregelen terug. Op een geven moment wordt de post gecontroleerd -voor zover toelaatbaar- op geld en toegezonden voedselpakketten worden grondig onderzocht. De pers wordt categorisch geweigerd. In de Provinciale Zeeuwse Courant, de PZC, waren wel wat kleine berichtjes verschenen, maar meer over de rechtszaak dan over de situatie in het kamp. Het Parool is de eerste krant die in december met een list erin slaagt even in het kamp te kijken. Pas op 26 januari 1957 verstuurt de burgemeester een bericht dat de pers de volgende dag al van een tot vier welkom is in het kamp en hij noteert in zijn dagrapport: “De verre afstand zal de nieuwsgierigheid wel wat temperen.” En ook wordt de in oktober ingestelde pasjesregeling genoemd. Een avondklok was er sowieso al, maar vanaf begin oktober moesten de kampbewoners toestemming vragen aan de burgemeester of ze het kamp mochten verlaten en voor hoe lang en waarvoor.
Tekst 9
Maar wie is er nu aanspreekbaar in deze kwestie. De politie verschuilt zich achter de burgemeester, de burgemeester achter het ministerie, of geeft de Molukkers de schuld. En op het ministerie vinden we niemand die er nog wat over wil of kan zeggen. Ook het CAZ, commissariaat Ambonezenzorg, geeft niet thuis. De vroegere baas Raalte wil niet praten, ambtenaar Logeman, die veel met Westkapelle te maken had, is overleden en Lantink leeft nog, maar weet zich niets te herinneren van Westkapelle specifiek. Wel weet hij dat er meer kampen waren die in verzet kwamen, maar het hoe en wat hij niet meer. Mevrouw Silano over het CAZ:
Tekst 10
Ook in Zeeland zelf waren er meer kampen die in opstand kwamen tegen de zelf zorgmaatregel, bijvoorbeeld in Burghsluis op het eiland Schouwen Duiveland. Daar namen de vrouwen erwten en aardappelen mee van het boerenland, en er waren strooptochten door kinderen geweest, aldus de PZC. In dezelfde week als in Westkapelle gingen de mannen van het kamp daar het dorp in en winkelden zonder te betalen. Zij werden tijdelijk onder bijzondere politiebewaking gesteld, maar niet zoals in Westkapelle voor dag en nacht, en zeker geen acht maanden.
Aan Majoor van Ballegooyen de Jong de vraag hoe dat komt:
Tekst 11
Onder de Molukkers bestaat het vermoeden dat Lewerissa als enige van negen gewonden in hoofd, hals en arm geschoten werd omdat men hem aanzag voor de leider van de PNMS Siwálette. Hoewel ze niet veel op elkaar leken waren ze wel van dezelfde lengte en traden ze vaak samen naar buiten als vertegenwoordigers van de PNMS.
Tekst 11A
De verwisseling Lewerissa/Siwalette valt niet met bewijzen te staven, het blijft bij een vermoeden. Wel is het zeker dat Lewerissa de enige was die in levensgevaar heeft verkeerd. En hij heeft nog steeds een kogel tussen zijn hart en zijn long.
tekst 12
Pas 8 maanden na de schietpartij normaliseerde de situatie in het kamp zich. Na zijn detentie is Siwalette er niet meer
terug gezien, volgens verschillende oud PNMS-leden zou hij door het CAZ zijn omgekocht en tevens de terugreis naar Indonesië voor hem en zijn gezin geregeld hebben. De oproerkraaiers en raddraaiers, zoals Tydeman ze betitelde, werden nadat ze hun straf uitgezeten hadden gedwongen verplaatst naar strafkampen aan de andere kant van het land. Hun gezinnen waren daar al naar toegebracht.
Omdat de kampbewoners verspreid werden en onbekend waren met de Nederlandse rechtsgang en zich daar Bovendien in die beginjaren niet aan wensten te onderwerpen hebben ze nu pas advocaat Flos uit Middelburg aangetrokken om hun belangen te behartigen. Deze hoopt zo snel mogelijk met de getuigen-verhoren voor de rechter-commissaris te kunnen beginnen waarbij ook Tydeman, van Ballegooyen en de betrokken agenten opgeroepen zullen worden, net als de ex-KNIL-lers die jarenlang voor de Nederlandse vlag gestreden hebben en zich in hun rechtsgevoel aangetast weten. En die net als hun vrouwen en kinderen nog stuk voor stuk de gebeurtenissen in Westkapelle met zich meedragen. Pas nu willen de betrokken Molukkers een eis tot schadevergoeding indienen.

30 oktober 1990, Istori Maluku, aflevering 4: De wijk

Deze aflevering gaat over de beginnende integratie van de Molukkers door hun verhuizing van de woonoorden naar wijken met stenen huizen.
In het begin van de jaren ‘60 worden de meeste Ambonezenkampen afgebroken. Ze maken plaats voor wijken met stenen huizen, dichter bij de bewoonde wereld. De kinderen gaan naar Nederlandse scholen en trouwen daarna steeds vaker met een blanke partner. Toch gaat de integratie moeizaam, gevangen als de meeste jongeren zitten tussen de Nederlandse cultuur en het Molukse ideaal van een snelle terugkeer. Als in 1966 de laatste verzetsleider in de Molukken, dr. Soumokil, door de Indonesische regering wordt terechtgesteld, begint de radicalisering onder de jongeren in Nederland.
Uitgebreide beschrijving.
tekst 1
In de tweede helft van de jaren ‘50 kan de Nederlandse regering niet langer om het feit heen, dat het verhaal van het “tijdelijk verblijf” van de Molukkers in ons land niet meer dan een illusie is. Niets wijst er immers op, dat er op afzienbare termijn zoiets als een ‘vrije republiek der Zuid-Molukken’ zal ontstaan. De regering is zich ervan bewast, dat er - gegeven deze realiteit - iets moet worden gedaan aan de huisvesting van de Molukkers. Niet alleen omdat de barakkenkampen, waarin ze nog steeds wonen, dikwijls vochtig en koud zijn, maar ook omdat de bewoners er bijna letterlijk uitpuilen. De nog geen 13.000 Molukkers, die in 1951 voet aan wal zetten, hebben zich in 1959 al vermeerderd tot circa 20.000. Het aantal woon-oorden is intussen wel uitgebreid tot 71, maar toch blijkt bij een telling, dat de in totaal meer dan drieduizend gezinnen plus de meer dan duizend alleenstaanden samen de beschikking hebben over slechts 6.290 vertrekken. Ofwel: anderhalve kamer per gezin. Zo’n toestand vraagt om ingrijpen. Bovendien wil de regering de Molukkers - zonder het ze met zoveel woorden te zeggen - voorbereiden op een veel langer verblijf in Nederland en dus een proces van integratie en assimilatie op gang brengen. In 1959 komt de staatscommissie Verwey-Jonker met het advies om de kampen af te breken en de Molukkers onder te brengen in stenen huizen in speciaal voor hen te bouwen wijken, die dicht bij de Nederlandse woonwijken gesitueerd worden.
In de loop van de jaren ‘60 gebeurt dat bijna overal. Voor de Molukkers is het een enorme overgang en ze zijn er zeker niet allemaal gelukkig mee. Dat blijkt uit de verhalen aan twee voormalige bewoonsters van het kamp Teuge: Lies Tohata en Tilly Pattipeilohy.
tekst 2
Bob Latuheru is 16 jaar en zit op de ULO als hij met z’n ouders moet verhuizen van het Vlissingse kamp Havendorp naar de nieuwe wijk in Oost-Souburg.
tekst 3
In de meeste gevallen werken de Molukkers - ondanks hun heimwee naar de gezelligheid van het kamp - loyaal mee aan de verhuizing naar de wijk. De pogingen om aansluiting te krijgen met de Nederlandse samenleving gaan soms zelfs van henzelf uit.
Fien Sihasale uit Bovensmilde herinnert zich zo’n poging tot integratie.
Tekst 4
Niet alleen gevoelsmatig hebben veel Molukkers moeite met de gedwongen verhuizing naar woonwijken. Bij veel oud-KNIL-soldaten zijn er ook principiële bezwaren. Zij staan op het standpunt dat hun verblijf in Nederland tijdelijk is en willen de kampen alleen verlaten om terug te keren naar hun land van herkomst, de Molukken. Zolang dat politiek gezien nog niet mogelijk is, weigeren zij om naar een permanente woning te verhuizen. Bovendien willen zij geen huur gaan betalen, omdat ze dat in de kampen ook nauwelijks hoeven.
Vaassen is een van die kampen waar een grote groep bewoners principieel weigert om te gaan verhuizen. Onder de voor- en tegenstanders van verhuizing ontstaat grote tweestrijd als de rechter in 1978 ontruiming beveelt, desnoods met harde hand. Als lid van de Coördinatie-Commissie onderhandelt Mathijs Sinay met de gemeente om een gewelddadige ontruiming te voorkomen. Omdat hij zelf al naar een woonhuis is verhuisd, zien de weigeraars hem als een verrader.
Tekst 5
Begin oktober 1976 is duidelijk dat de gemeente de barakken met geweld zal gaan ontruimen. Martin en Jacob  Pelamonia bevinden zich met nog twaalf gezinnen in het kamp, en voelen de spanning stijgen.
Tekst 6
Van de ontruiming, waarover u een reportagefragment hoorde uit Hier en Nu van de NCRV-radio, vindt plaats op 14 oktober 1976. Ook vanuit de woonhuizen wordt verzet gepleegd tegen de gewelddadige ontruiming.
Martin Pelamonia:
tekst 7
De keuzes waarvoor de Molukse gemeenschap in de loop der jaren wordt gesteld (bijvoorbeeld wel of niet meewerken aan de zelfzorgmaatregel en wel of niet verhuizen van kamp naar wijk), zorgen ervoor dat er onderling steeds meer onenigheid ontstaat. De tweespalt wordt nog groter als de ex-sergeant-majoor van het KNIL, Isaac Tamaela zich opwerpt als de opvolger van Soumokil, die in 1963 als guerrillaleider op Ceram door de Indonesiërs gevangen is genomen en enkele jaren later wordt geëxecuteerd. Vanaf die tijd heb je Manusama-aanhangers en Tamaela-aanhangers. Ze vormen eigen ordediensten om hun leiders te beschermen. De Nederlandse regering staat oogluikend toe dat ze zich in uniformen hijsen en zelfs dat ze militaire trainingen doen en de ‘eigen’ wijken gaan bewaken.
Die ‘eigen’ wijken ontstaan door de vele ‘politieke’ verhuizingen, zo herinnert Elias Rinsampessy zich. Hijzelf woont sinds 1965 in een Manusama-wijk. Die van Assen.
tekst 8
Lang niet alle Molukkers in Nederland houden zich in de jaren ‘60 bezig met de onderlinge politieke strijd. Bob Latuheru bijvoorbeeld studeert in die jaren voor onderwijzer en woont in een Zeeuwse wijk. Hij herinnert zich niets van ordediensten en acties. Hij herinnert zich alleen maar dat hij met een groepje leeftijdgenoten keihard bezig was om zichzelf te bewijzen. Via de studie en via de sport. En verder geen gezeur.
tekst 9
Latuheru, die in 1943 is geboren, ziet een groot verschil tussen zijn generatie en die van de jongeren, die aan het einde van de jaren ‘60 van zich doen horen. Dat zijn jongens die er helemaal geen behoefte aan hebben zich met ijzeren zelfdiscipline aan studie en sport te wijden.
tekst 10
De jonge Molukkers, die hun vrije tijd gaan doorbrengen in bars en disco’s, zorgen er ook voor dat het woord ‘discriminatie’ inhoud krijgt. Zij zijn de eerste Molukkers, die zich niet alleen gediscrimineerd voelen, maar dat ook niet pikken. Met alle gevolgen van dien.

6 november 1990, Istori Maluku, aflevering 5: De harde acties

Deze aflevering gaat over de radicalisering van Molukse jongeren, die uitloopt op harde acties.
In de loop van de jaren zestig vindt onder Molukse jongeren een politieke radicalisering plaats. De tweede generatie Zuid-Molukkers weigert zich neer te leggen bij de onmogelijkheid terug te kunnen keren naar de Molukken. De Nederlandse regering moet stappen ondernemen. In 1966 slaat de vlam in de pan en de Indonesische ambassade in Den Haag wordt in brand gestoken. In 1970 wordt de Indonesische residentie in Wassenaar bezet. In 1975 wordt een trein gekaapt bij het Drentse Wijster en de Indonesische ambassade bezet. In 1977 worden de intercitytrein Zwolle-Groningen en een lagere school in Bovensmilde bezet. Bij het bevrijden van de trein vallen 8 doden.
Interviews met o.a. een Molukker die betrokken was bij de eerste acties en met Molukkers over de gevolgen van de acties binnen de Molukse gemeenschap, zowel als daarbuiten.
Uitgebreide beschrijving:
Tekst 1
Dit was een fragment uit de afscheidsbrief, die Hansina Uktolseja aan haar ouders schreef, vlak voor zij in 1977 besloot om deel te nemen aan de kaping door Molukkers van de trein bij De Punt in 1977: een actie die zij met de dood moest  bekopen.
In de loop van de jaren zestig vindt onder Molukse jongeren een politieke radicalisering plaats. Het zijn de kinderen van de oud-KNIL-soldaten, die vanaf 1951 eerst in kampen en later in eigen woonwijken lijdzaam hebben gewacht op hun terugkeer naar de Molukken; een terugkeer die niet mogelijk bleek. De Tweede generatie Zuid-Molukkers weigert om zich daar bij neer te leggen. De jongeren willen dat de Nederlandse regering bij Indonesië eindelijk eens stappen onderneemt om het beloofde zelfbeschikkingsrecht in de praktijk te verwezenlijken. Als de Indonesische president Soeharto in 1966 de ter dood veroordeelde Zuid-Molukse president Soumokil tegen de verwachting in ook werkelijk laat executeren zonder dat de Nederlandse regering daarop reageert, vindt het eerste felle protest plaats. Met Molotov-cocktails wordt de Indonesische ambassade in Den Haag in brand gestoken, de voorbode van een reeks gewelddadige acties, waarmee Zuid-Molukse jongeren in de jaren zeventig hun politieke idealen kracht bij willen zetten. Als de Nederlandse regering in 1970 Soeharto voor een officieel staatsbezoek uitnodigt, voelen de Molukkers zich nog verder gekrenkt. Minister Luns weigert om de Zuid-Molukse president in ballingschap Manusama een gesprek met Soeharto toe te staan.
Peter Soumokil vertolkt de gevoelens die dan onder de Molukkers leven.
Tekst 2
De verontwaardiging over de komst van Soeharto is groot, en de Molukse leiders roepen op tot actie. Hierop besluiten 33 vooral jonge Zuid-Molukkers, de Indonesische ambassadeur en zijn gezin te gijzelen. Op 31 augustus 1970 is het zo ver. ’s Ochtends vroeg overvalt de groep van 33 de Indonesische residentie in Wassenaar. Onder de aanvallers is Ferry Tomassoa. Bij de voorbereiding van de actie is hij niet betrokken geweest, maar toen hem twee weken vooraf werd gevraagd om mee te doen, twijfelde hij geen moment.
Tekst 3
Dit was een fragment uit een interview met RMS-president Manusama, vlak na de beëindiging van de gijzelingsactie.
Manusama, die er samen met dominee Metiari voor gezorgd heeft dat de gijzeling snel was afgelopen, is vol lof over de actie. Niet iedereen is zo enthousiast. Volgens Peter Soumokil is er niets bereikt, en hebben de Molukse leiders zich voor het karretje van de Nederlanders laten spannen.
Tekst 4
De actie van 1970 heeft weinig effect. Van meer aandacht van de overheid voor de Molukkers is geen sprake. Ondanks dit gebrek aan resultaat worden de actievoerders door veel jonge Molukkers als helden gezien, die alles wat ze hebben overboord zetten, en hun leven waagden voor hun ideaal. Ferry Tomassoa vindt dit overdreven.
Tekst 5
Als op 2 december 1975 een trein bij het Drentse Wijster wordt gekaapt, gaat het er heel wat harder aan toe dan bij de ambassadeurswoning in 1970. Al op de eerste dag vallen er twee doden en het is duidelijk dat de kapers niet van plan zijn hun actie snel op te geven. Ook nu wordt weer geprobeerd door het sturen van Molukse autoriteiten de zaak in goede banen te leiden, maar dat levert aanvankelijk geen resultaat op.
Meester Kuhuwael die de kapers kent omdat hij ze als onderwijzer les gegeven heeft op de kampschool in Schattenberg, en dokter De Lima zijn de eersten die contact leggen. Volgens De Lima gaat dat erg moeizaam.
Tekst 6
Dit was een fragment van een gesprek met RMS-leider Manusama tijdens de kaping. Inmiddels is ook het Indonesische consulaat in Amsterdam bezet. Was Manusama in 1970 nog vol lof over de actievoerders, nu heeft hij geen goed woord voor hun daden over. In de Molukse wijken wordt er minder hard geoordeeld. Met het geweld dat gebruikt wordt is lang niet iedereen het eens, maar wel met het doel dat de actievoerders willen bereiken. Fien Sihasale over de stemming in Bovensmilde.
tekst 7 - vervalt
tekst 8
Tijdens de gijzelingen blijkt dat de Nederlandse journalisten weinig kennis bezitten over de achtergronden van de Molukkers. Een van de Molukkers die gevraagd wordt om informatie te geven is Elias Rinsampessy, student  antropologie uit Nijmegen. Kort voor de acties heeft hij een kandidaatsscriptie geschreven onder de titel ‘Mogelijke gronden van agressie onder Molukse jongeren’. Hij treedt op als woordvoerder van de jongerenvereniging Pattimura.
tekst 9
Om meer publiciteit aan hun actie te geven, nemen de bezetters van het consulaat contact op met de pers. U hoort een fragment van een gesprek dat Kees Buurman van de NOS-radio voert met een actievoerder.
tekst 10
Ondertussen blijven de onderhandelingen tussen de Molukse delegatie en de actievoerders moeizaam verlopen. Pas als ook president Manusama en mevrouw Soumokil, weduwe van de Indonesië geëxecuteerde oud-president van de  RMS, zich bij de onderhandelaars hebben gevoegd, wordt er met de treinkapers overeenstemming bereikt over de  voorwaarden waaronder zij hun actie willen beëindigen.
Tekst 11:
Als vijf dagen na het beëindigen van de treinkaping ook de bezetters van de Indonesische ambassade in Amsterdam  zich overgeven, kan de balans van beide gijzelingen worden opgemaakt; drie doden hebben niet kunnen bewerkstelligen dat het ideaal van de Molukkers dichterbij is gekomen. Als enig direct gevolg van de acties zal er politiek overleg gevoerd worden tussen Manusama en de Nederlandse regering over de toekomst van de Molukkers. Ondertussen gaapt er een kloof tussen Molukkers en Nederlanders, die onoverbrugbaar lijkt, ook al besteden de kranten voor het eerst aandacht aan de achtergronden. Vanaf de eerste dag van de gijzelingen ondervinden de  Molukkers een vijandige houding van de Nederlanders. Lies Tohata:
Tekst 12
Niet alleen op hun werk worden Molukkers gediscrimineerd. Koos Taihuttu durft nauwelijks meer met een trein te reizen, bang als hij is om als potentiële kaper te worden aangezien.
Tekst 13
Dit fragment uit de toespraak van Otto Matulessy, gehouden bij de viering van de onafhankelijkheid van de RMS op 25 april 1977, maakt duidelijk dat de Zuid-Molukse jongeren geen vertrouwen hebben in het overleg dat hun president Manusama met de Nederlandse regering voert. Hoe explosief de stemming is, blijkt nog geen maand later.
Tekst 14
Waar ingewijden al voor hadden gewaarschuwd, gebeurt op 23 mei 1977. De inzittenden van de intercitytrein Zwolle-Groningen, en leerlingen en onderwijzers van een school in Bovensmilde worden gegijzeld door jonge Zuid-Molukkers. Vooral de gijzeling van kinderen wekt veel afschuw, ook in Molukse kringen. De kapers eisen dat de veroordeelde actievoerders van 1975 worden vrijgelaten en dat zij per vliegtuig naar een onbekende bestemming mogen vertrekken. Opnieuw wordt gedreigd gijzelaars te executeren, als niet aan de eisen wordt voldaan. Fien Sihasale woont in die tijd in de Molukse wijk in Bovensmilde en voelt zich als kleuterleidster persoonlijk betrokken bij de  gijzelingsactie in de school.
Tekst 15
In de vroege ochtend van 11 juni 1977 wordt op gewelddadige wijze een einde gemaakt aan de gijzelingen in de trein bij De Punt. Na bijna drie weken vruchteloos onderhandelen ziet de Nederlandse regering onder leiding van premier Den Uyl geen andere uitweg dan een bevrijdingsactie met inzet van zwaar militair materieel. Bij de school valt één gewonde, bij de trein worden zes van de negen kapers doodgeschoten en vallen ook onder de gijzelaars twee slachtoffers. Niet alleen in Molukse, maar ook in Nederlandse kring is veel kritiek op het geweld dat is gebruikt, omdat er tot dat moment in tegenstelling tot de gijzelingen uit 1975 nog geen enkel slachtoffer is gevallen.
Direct na de beëindiging van de gijzelingen heerst er in de Molukse wijken een terneergeslagen sfeer. Ook bij Fien
Sihasale uit Bovensmilde, waar de omgekomen treinkapers woonden.
Tekst 16
De harde acties van 1977 brengen vooral een sociaal-maatschappelijke discussie op gang. Voor het eerst wordt uitgebreid aandacht besteed aan de problemen van de Molukse gemeenschap in Nederland. Elias Rinsampessy en Peter Soumokil hebben elk hun eigen visie op die ontwikkeling, waarop de gijzelingsacties uit de jaren zeventig veel invloed hebben uitgeoefend.

13 november 1990, Istori Maluku, aflevering 6 en slot: De toekomst

Deze aflevering gaat over de integratie in de Nederlandse samenleving na bijna 40 jaar verblijf in Nederland.
Toch worden de jaren ‘80 gekenmerkt door nieuwe aandacht voor de Molukse cultuur.
Interviews met:
- dokter Frans Tutuhatunewa, verbonden aan de Stichting Tjandu, hulpverlening aan Molukse drugsverslaafden;
- Juul Mustamu en Peter Schouten, redactieleden van het, inmiddels opgeheven, Molukse jongerenblad Tjenkeh;
- Lies Tohata, dochter van oud-KNIL-er, over militaire pensioenen;
- Corrie Steensma-Pattipeilohy, over onderwijs aan Molukse kinderen;
- Robilmas Rahantoknam en Rosa Renwarin, over hun bezoek aan het geboortedorp van hun opa’s.
- Ton Tomasowa, over terugkeer naar Ambon, en over behoud van de Molukse cultuur;
- Elias Rinsampessy over eventuele terugkeer naar de Molukken;
- Fien Sihasale, over het verlaten van jongeren van de Molukse wijken, en over de oude politieke idealen.
- Billy Buhuku, over het behoud van de Molukse cultuur;
- pedagoog Otjep Rahantoknam, over Molukse identiteit en cultuur;
- Andy Moniharapon, over Molukse demonstraties die onlangs zijn geweest;
- profetie van het Indonesische orakel Joyobaye.
Uitgebreide beschrijving van deze aflevering:
Tekst 1
Als jonge Molukkers in 1977 opnieuw tot gijzelingsacties overgaan, dringt het tot de Nederlandse regering door dat er
nu toch echt serieuze aandacht voor de Molukkers moet komen. Alleen praten helpt niet meer, er moet wat gedaan worden. Met behoud van identiteit moeten de Molukkers integreren in de Nederlandse samenleving, zo concludeert de regering, waarbij een spoedige verwezenlijking van het RMS-ideaal onmogelijk lijkt. Niet minder dan 12 miljoen gulden komt er per jaar vrij om aan de Molukkers te besteden. Een waar leger van welzijnspriesters daalt op de wijken neer. Er komen wijkgebouwen, nieuwe kerken en allerlei stichtingen voor sociaal-cultureel werk. De zeggenschap van de Molukkers zelf komt tot uiting in het in 1978 opgerichte Inspraakorgaan Welzijn Molukkers. De problemen in de jaren 70 blijken ook uit het snel stijgende aantal druggebruikers onder Molukkers.
Dokter Frans Tutuhatunewa is vanaf de oprichting in 1978 verbonden aan de Stichting Tjandu, die de hulpverlening aan de Molukse verslaafden aan moet pakken.
Tekst 2 is vervallen
Tekst 3
Niet alleen dankzij de Nederlandse overheid komen initiatieven tot stand die de maatschappelijke positie van de Molukkers moet helpen verbeteren. Ook de Molukkers zelf ontwikkelen nieuwe ideeën. Zonder een cent subsidie verschijnt in 1978 het eerste nummer van het onafhankelijke jongerenblad Tjenkeh, wat kruidnagel betekent. Een symbool van de onderdrukking uit de koloniale tijd, maar tegelijkertijd het symbool van de schoonheid van de Molukse eilanden. Een redactieteam van zo’n 15 vrijwilligers verzorgt de inhoud van het maandblad. Onder hen Juul Mustamu en Peter Schouten, de enige Nederlander in de redactie en de enige met een journalistieke achtergrond. Beiden vertellen over het ontstaan van Tjengkeh en de rol die het blad daarna speelt.
Tekst 4
Een van de strijdpunten van Tjengkeh, dat tot 1986 blijft bestaan, is de toekenning van een militair pensioen aan de oud-KNIL-militairen. Pas in 1983 erkent de regering die rechten en besluit 2000 gulden toe te kennen aan  oud-soldaten met minimaal 15 dienstjaren. Lies Tohata krijgt die toekenning een dag na het overlijden van haar vader en dan blijkt dat de erfgenamen er geen aanspraak op kunnen maken. Het enige dat ze erft zijn de medailles.
Tekst 5
Een belangrijke oorzaak van de sociale problemen onder jonge Molukkers is hun gebrekkige schoolopleiding. Naast de discriminatie, waar zij van te lijden hebben, zorgt dit voor een steeds toenemende werkeloosheid. Pas vanaf het begin van de jaren 70 komt er enige aandacht voor de specifieke problemen van de Molukse kinderen in het onderwijs. Corrie Steensma-Patipeilohy is in die tijd één van de weinige Molukse leerkrachten op een lagere school, en zet zich in voor hun problemen.
Tekst 6
Om het contact met de eigen cultuur in stand te houden en te voeden, gaan steeds meer Molukkers met vakantie naar het vaderland. Voor de tweede en derde generatie is dat het eerste contact met de Molukken. Robilmas Rahantoknam en Rasa Renwarin, 8 en 9 jaar, zijn vorig jaar voor het eerst naar de Kei-eilanden geweest, naar het geboortedorp van hun opa’s en vertellen over hun ervaringen.
Tekst 7
Ook veel oudere Molukkers zijn de laatste jaren op vakantie geweest naar hun vaderland en hun familie. Zo ook Tom Tomasowa. Hij herinnert zich de vervreemdende ervaring nog haarscherp, toen hij voor het eerst na tientallen jaren weer voet aan wal zette op het vliegveld van Ambon.
Tekst 8
Elias Rinsampessy behoort tot de zogenaamde tweede generatie en hij is, zoals hij zelf zegt, helemaal verwesterd. Hijwoont al 20 jaar niet meer in een Molukse wijk en geeft zijn kinderen een Nederlandse opvoeding. En toch is ook bij hem de gedachte van terugkeer naar de Molukken nooit helemaal verdwenen.
tekst 9
Fien Sihasalé woont nog wel in de Molukse wijk van Bovensmilde. Ze vindt het jammer dat steeds meer jongeren de wijken verlaten, maar voor het voortbestaan van het fenomeen ‘Molukken-wijk’ is ze niet bang.
tekst 10
Tom Tomasowa behoort tot de eerste generatie en ook hij krijgt elk weekeinde z’n kinderen en kleinkinderen op bezoekin de Vlissingse wijk waar hij woont. Toch is hij heel pessimistisch over de overlevingskansen van de echte Molukse cultuur in Nederland. Want zag hij niet bijna al z’n kinderen trouwen met Nederlanders?
tekst 11
Iemand die het allemaal veel positiever ziet is Billy Buhuku. Er mag dan invloed zijn van het omringende Nederland, dat betekent nog niet dat zijn Molukse ziel ooit verloren zal gaan.
Tekst 12
Ook de pedagoog en dichter Otjep Rahantóknam is niet bang voor de toekomst in Nederland. Hij ziet een nieuwe Molukse identiteit en cultuur ontstaan.
Tekst 13
Met de grote aandacht die de laatste jaren is besteed aan de Molukse cultuur in Nederland, lijkt het RMS-ideaal voorgoed naar de achtergrond te zijn verdwenen. Tot op 25 april van dit jaar worden in Den Haag het feitherdacht dat 40 jaar eerder op Ambon de RMS werd uitgeroepen. Fien Sihasale loopt samen met haar man en dochtertje mee in een demonstratie in Den Haag. Die demonstratie loopt finaal uit de hand, als de stoet niet langs het gebouw van de Indonesische ambassade mag trekken. Jongeren halen dranghekken omver en proberen zich met stokken en stenen een weg te banen door het politie-cordon. Voor Fien Sihasale het bewijs dat het oude politieke ideaal nog altijd leeft onder de jongeren.
tekst 14
Met behulp van televisiebeelden weet ‘Justitie’ een groot aantal Molukse demonstranten op te pakken. Op 30 oktober verschijnen de eerste acht voor de rechter. Een van hen is Andy Moniharapon.
Tekst 15
En met deze - door Peter Soumokil zo gekoesterde - profetie van het Indonesische orakel Joyoboye, dat eens de Molukkers zullen heersen over de hele Indische archipel, besluiten wij onze serie van zes uren radio, waarin Molukkers hun eigen turbulente geschiedenis van de afgelopen 40 jaren vertellen.

3 Reacties op “Istori Maluku”

  1. Bung Sengadanama zegt:

    Een goede stuk geschiedenis voor jullie Hollanders ;)

  2. [...] Zie ook de Spoor Terug serie over de geschiedenis van de Molukkers in Nederland: Istori Maluku [...]

  3. njong zegt:

    Wederom stof tot nadenken voor het nederlandse volk.

Laat een reactie achter