China is booming in Afrika. Sudan, waar veertig procent van de olie door Chinese staatsbedrijven uit de grond wordt gepompt, is alleen al goed voor zeven procent van de Chinese olie-import. Dat de belangen van China in Afrika groot zijn bleek al uit de vier Looking for Mr Li-afleveringen vanuit Zambia. Maar wat betekent China voor Afrika?
door Eva Oosterwegel en Egbert Wesselink
De gemiddelde economische groei in China ligt sinds 1990 boven de tien procent. Dat is enorm. Met een bevolking van 1,4 miljard betekent dit een kolossaal stijgende vraag naar grondstoffen. Sinds 2003 is China de tweede grootste olieconsument in de wereld en naar verwachting zal die vraag in 2025 verdubbeld zijn. De groeiende behoefte aan olie en andere grondstoffen was voor China een belangrijke reden om in Afrika te gaan investeren.
Westerse bedrijven die de afgelopen decennia in de Sudanese olie-industrie investeerden zijn weer vertrokken. In eerste instantie vanwege de opnieuw oplaaiende burgeroorlog en later omdat consumenten thuis de bedrijven en aandeelhouders confronteerden met de misdaden van het Soedanese regime. De ruimte die hierdoor in de olie-industrie is ontstaan, werd grotendeels ingenomen door Aziatische bedrijven, met China op kop. De Verenigde Staten boycotten Sudan sinds 1997 volledig.
De nieuwe handelspartner China biedt Afrikaanse landen nieuwe kansen. Chinese bedrijven brengen geld in het laatje, dragen bij aan de economische ontwikkeling, en bovendien leggen ze broodnodige infrastructuur aan. Sinds 1995 investeerde Chinese ondernemingen zes miljard dollar in Soedan. Als smeermiddel biedt de Chinese regering in Afrika zachte leningen en schuldverlichting aan. In tegenstelling tot de Wereldbank en Westerse regeringen, vraagt China daarbij niet om democratisering of goed bestuur. Met succes, Chinese politici worden door veel Afrikaanse staatshoofden met open armen ontvangen en Chinese ondernemingen slepen lucratieve contracten binnen.
Niet iedereen is blij met die ontwikkeling. Chinese bedrijven trekken zich weinig aan van het milieu of de sociale gevolgen van hun operaties. Bovendien, de economische groei komt helemaal van de export van grondstoffen; van duurzame ontwikkeling is geen sprake, als straks de grondstoffen op zin, heeft Afrika nog steeds geen eigen industrie of dienstensector.
Het vredesakkoord van 2005, dat een einde maakte aan de oorlog tussen Noord- en Zuid-Sudan, vormt de grondwet van het land. Er staan duidelijke verplichtingen voor de oliebedrijven. Zij moeten de hoogste bekende standaarden voor maatschappelijk verantwoord ondernemen hanteren. In plaats daarvan werken ze zoals ze dat in China doen: volgens de laagst bekende standaarden. De bevolking in Sudan klaagt over milieuvervuiling, corruptie, gebrek aan financiële transparantie en voortgaande armoede.
In het vredesakkoord is ook afgesproken dat bedrijven de bevolking moeten consulteren. De bevolking van de oliegebieden heeft daar nog niets van gemerkt. Ook roept het vredesverdrag bedrijven op compensatie te betalen aan mensen wiens rechten zijn geschonden om de oliewinning mogelijk te maken. Dat zijn er honderdduizenden, want de regering heeft tussen 1997 en 2004 honderdduizenden mensen met geweld uit de oliegebieden verdreven. Tienduizenden zijn daarbij omgekomen. Maar de bedrijven doen alsof hun neus bloedt.
De milieugevolgen van de olie-industrie zijn aanzienlijk. Er zijn duizenden kilometers verhoogde wegen aangelegd, dwars door de immense moerasgebieden rond de Nijl. De wegen vormen dammen en veroorzaken aan de ene kant overstromingen en aan de andere kant droogte. Dat heeft nare gevolgen voor de natuur en de plaatselijke economie.
De internationale druk op het handelsbeleid van China neemt toe, vooral nu China vanwege de Olympische Spelen in de schijnwerpers staat. Het Europees Parlement waarschuwt China in een rapport van februari 2008 en roept het land op om zijn verantwoordelijkheid te nemen, onder andere om de transparantie te vergroten door het zogenaamde EITI (Extractives Industry Transparency Initiative) te ondersteunen. In Afrika groeit wrevel over de Chinese manier van ondernemen. Recentelijk werden in Nigeria, Ethiopië en Niger Chinese werknemers aangevallen. Economisch betekent China al erg veel voor Afrika, maar het ziet er nog niet naar uit dat China de verantwoordelijkheden op zich gaat nemen die voortvloeien uit zijn nieuwe positie.
Het dossier “Sudan, Whose Oil?” (april 2008) is te bestellen bij IKV Pax Christi. Evenals het dossier ‘Sudan’s Oil Industry. Facts and Analysis’.
Egbert Wesselink coördineert de European Coalition on Oil in Sudan, Eva Oosterwegel werkt voor de campagne Fatal Transactions, beiden bij bij IKV Pax Christi.