
Er is één ding waar de officiële instanties hier in Venezuela uitermate goed in zijn. En dat is mensen van het kastje naar de muur sturen.
Bijvoorbeeld in het gebouw van Onidex, de plek waar je moet zijn voor je visum, werkvergunning, verblijfsvergunning, etc. Het bracht een Chinese student in ieder geval tot grote vertwijfeling: “Ik word steeds weer naar boven en dan weer naar beneden en dan weer naar boven en dan nog eens naar beneden gestuurd. En ik weet niet eens waarom!”
Dezelfde ervaring viel mij ten deel. Ik dacht een eenvoudige, statistische vraag te hebben: Hoeveel Chinezen wonen er officieel in Venezuela? Bijna alle kantoortjes heb ik van binnen gezien, maar een antwoord kreeg ik nergens. Niet dat ze moeite gedaan hebben om het uit te vinden, trouwens. Eigenlijk nog voordat ik mijn vraag had gesteld, was steeds het antwoord er al: ik moet ‘niet op deze afdeling zijn, maar een verdieping hoger of lager’, al naar gelang het uitkomt. En wanneer de aangegeven verdieping al door mij bezocht bleek te zijn, dan wisten ze altijd nog wel een ander kantoortje verstopt in een hoekje aan te wijzen. Alles om maar niet serieus te hoeven in gaan op de gestelde vraag.
Telefonisch gaat het al niet anders. Zelfs al heb je de instantie in kwestie al vaker aan de lijn gehad en heb je de bewuste medewerker al vaker gesproken. Het tiende telefoongesprek met een instantie verloopt ongeveer als volgt:
- “Hallo, ja daar ben ik weer van de Nederlandse radio.”
Secretaresse: “Ja, hallo, alles goed?”
-“Ja hoor, alles prima. Zeg, de vorige keer zei u dat ik vandaag terug kon bellen en dat u dan meer weet over een afspraak met de directeur.”
Secretaresse: “Klopt, maar het blijkt dat u toch niet bij deze afdeling moet zijn, ik verbind u door…”
Andere medewerkster: “Ja hallo… een gesprek met wie? En heeft u al een brief gestuurd? Nou, daar weet ik niets van. Ik verbind u door…”
De volgende medewerker: “Wat? Wacht maar even, ik verbind u door…”
- “Ja maar…”
Terug bij de eerste secretaresse: “O jij weer…”
- “Ja daar ben ik weer. Ik moet toch echt bij u zijn!”
Secretaresse: “Maar heeft u dan al een brief gestuurd om uw aanvraag te bevestigen?”
-“Ja, en ook al een e-mail. Kan ik nu niet even met de directeur spreken?
Secretaresse: “Nee, die is in vergadering. Stuur de brief nu nog maar een keer, dan nemen we de aanvraag echt in behandeling. Dat duurt ongeveer vijf dagen. Dan gaat het echt lukken. Bel dan maar weer.”
- “Ja, maar ik…” Tuut, tuut, tuut.

Er is één instelling die het wel heel bont maakt, en dat is de PdVSA, de nationale Venezolaanse oliemaatschappij. Via deze organisatie lopen de contacten met de enige Chinese oliemaatschappij hier in Venezuela. Rechtstreeks bellen met deze CNPC is niet mogelijk. Jammer genoeg. Rechtstreeks contact met de als terughoudend bekendstaande Chinezen zou waarschijnlijk makkelijker zijn geweest, maar het is de Venezolaanse oliemaatschappij waar ik zaken mee moet doen.
Na het bovenstaande telefonische ritueel tot het oneindige toe te hebben herhaald, werd ik opeens uitgenodigd in het hoofdkantoor in Caracas voor een informeel gesprek. Geen interview, maar om te verduidelijken wat nu eigenlijk de bedoeling was. Of al die telefoontjes en e-mails niet duidelijk genoeg waren. Maar goed, een persoonlijk gesprek kan geen kwaad om een voet tussen de deur te krijgen, denk je dan. Het gesprek met de twee persvoorlichters verliep uitermate vriendelijk en vol interesse van hun kant. Want ‘ja, ze zijn eigenlijk ook journalisten’ en begrepen mijn verzoek dus volkomen. En ja, ‘ze zouden wel wat kunnen regelen, dat moest toch geen probleem zijn.’ Een kwestie van even overleggen met de directie.
Weekje later een telefoontje: “Hallo, hoe gaat het ermee. Ik heb nieuws over je verzoek,” zegt de persvoorlichter met opgewekte stem. Het gaat lukken, denk je dan meteen. “Sorry, maar het gaat niet door. Nee, geen gesprek met de Chinezen. Nee, ook geen gesprek op kantoor met iemand van PdVSA. Nee, geen verklaring. Het gaat gewoon niet door. Prettige dag nog.”
Ik zit nu nog te wachten op een afwijzing van Buitenlandse Zaken, de Chinese ambassade, de directeur van Onidex, de Chinese computerfabriek in Punto Fijo en alle andere instanties en mogelijke gesprekspartners die nog volgen. Je zou er gefrustreerd van raken!
Al is er altijd ook weer een lichtpuntje. Want als ik door een straat in Caracas loop met mijn fotocamera in de aanslag op zoek naar Chinezen, schieten twee Venezolanen spontaan te hulp. Ze maken van hun ogen spleetjes: “Kijk hier heb je je Chinezen!” En ik heb mijn foto.