Chinese ambities

6 februari 2008 door Redactie Mr. li

vpro_cover.jpgHet besef dringt door dat de opkomst van China niet tijdelijk is: China is inderdaad van plan de 21ste eeuw te domineren. Wie is die gewichtige nieuwe wereldburger?

door Floris-Jan van Luyn

Franse gouvernantes liggen dezer dagen niet meer zo goed in de markt in New York. Dat komt omdat zij geen Chinees spreken. Allicht. Met Frans kun je in hogere kringen hoe langer hoe minder aankomen. Althans volgens de hogere kringen in New York dan. Het is Chinees wat de klok slaat. De Chinese kranten die erover berichten kunnen enig leedvermaak niet onderdrukken. Het is niet langer het oude Europa dat de aandacht van de nieuwe rijken heeft, maar de Volksrepubliek China. Wie had ooit gedacht dat kindermeisjes uit China zo gewild zouden worden in uptown Amerika?

De bemiddelingsbureaus, die er in moeten voorzien, breken zich het hoofd over waar ze hen vandaan moeten halen. Want sinds China niet langer staat voor de dreigende opmars van het communisme, maar voor een kans die iedereen moet en zal omarmen, wordt het in sommige Amerikaanse kringen strategisch geacht hun kroost in een zo vroeg mogelijk stadium bij te brengen hoe je ‘Wat kost dat?’ zegt in het Chinees. En dus verdienen Chinese dienstertjes in Amerikaanse dienst tussen de 60.000 en 100.000 dollar per jaar.

China en chic. Het is een combinatie die niemand voor mogelijk hield nog geen twintig jaar nadat de oogluikende vrijheid er tot verbijstering van velen gewelddadig werd onderdrukt. Maar inmiddels doet het land overal ter wereld van zich spreken. En steeds vaker gebeurt dat in positieve zin.

China is een serieuze ondernemer, geeft arme landen yuan-hulp, praat mee op het politiek toneel en levert een aandeel (zij het nog bescheiden) aan internationale vredesmissies. Langzamerhand wordt duidelijk dat China inderdaad van plan is de 21ste eeuw te domineren. De globale economie raakt steeds meer met Chinese inbreng verstrengeld. En het besef dringt door dat de opkomst van China niet tijdelijk is. We hebben er een gewichtig wereldburger bij.

Terracotta leger
Maar wie is die nieuwe wereldburger? We horen er meer dan genoeg over via de horden buitenlandse ondernemers die China hebben ontdekt, via de eindeloze stroom politici die naar Peking jakkeren om loyaliteit te kopen en via jan en alleman die ook de Muur en het Terracotta Leger hebben gezien. Maar wat zoekt China in de wereld? Waar laat het zijn invloed gelden? En wat brengt het ons?
Als we de achterdochtige commentaren van de Westerse media mogen geloven, is China vooral op zoek naar grondstoffen. Grondstoffen om de pompende machine die de Chinese economie is, te blijven voorzien van brandstof. China zou daarbij nietsontziend zijn gang gaan en alles waar het behoefte aan heeft daar halen waar het maar voorradig is, ongeacht het omstreden karakter van zijn leveranciers.

Elders zouden de communistische leiders enkel uit zijn op economische invloed. Staatsconglomeraties die complete bedrijfstakken zouden willen overnemen om die vervolgens op eigen wijze uit te buiten en om te vormen naar Chinese maatstaf.

Dergelijk verhalen zijn vooral gevoed door de panische reacties na overnames zoals die door de Chinese computergigant Lenovo van het Amerikaanse ibm. Of na de jammerlijk mislukte koop door de Chinese staatsoliemaatschappij cnooc van het Amerikaanse oliebedrijf Unocal.

De anti-Chinese hetzes die daaraan vooraf gingen deden noch China, noch de Verenigde Staten goed. En het enige wat China er van zou leren was dat het voortaan veel omzichtiger te werk diende te gaan bij de aankoop en overname van buitenlandse bedrijven.

De angst voor de unilaterale overname door China van alles wat los en vast zit en voor massaontslagen bij de buitenlandse bedrijven waaraan ze leiding geven, is na enkele jaren van Chinese fusies en acquisities schromelijk overdreven gebleken. China beseft als geen ander dat het op het gebied van technologie en bedrijfsvoering nog veel te leren heeft en dat het buitenlandse partners en werknemers gewoon nodig heeft.
Op het Afrikaanse continent ligt dat anders. Daar wordt de komst van China door menig mijnwerker en textielarbeider ervaren als de geboorte van een nieuwe kolonisator – het Gele Gevaar op zoek naar grondstoffen en gewin over de ruggen van het zwarte proletariaat.

De recente praktijk heeft helaas geleerd dat het daar af en toe ook wel op lijkt.

Agrarische samenleving
Wie wil begrijpen wat China zoekt in de rest van de wereld, zou moeten weten waar het land een tekort aan heeft. Een niet onbelangrijk feit is dat China ondanks zijn indrukwekkende groeicijfers en stormachtige verstedelijking nog altijd een overwegend agrarische samenleving is. Het inkomen per hoofd van de bevolking ligt met een optimistische 1.100 euro per jaar nog ver achter bij dat van Europa. De werkloosheid is er zorgelijk hoog.

De kloof tussen rijk en arm is in de geschiedenis van de Volksrepubliek nog nooit zo groot geweest. De 840 miljoen Chinezen met een boerenstatus kunnen volgens de Chinese wet niet meedelen in de stadse welvaart. De groep van 120 miljoen migrantenarbeiders die de armoede op het platteland inmiddels al is ontvlucht dijt met 5 miljoen dolende zielen per jaar uit. Het milieu staat zwaar onder druk. Er is een chronisch gebrek aan drinkwater. Op lokaal niveau heeft op grote schaal corruptie plaats. En jaarlijks hebben tegen de 100.000 protesten plaats op het platteland.

Wat China in eerste instantie te doen staat, is oplossingen vinden voor het stabiliseren van het wankel evenwicht in het binnenland. En dat vraagt zoveel aandacht van het centraal partijbestuur in Peking, dat alle avonturen buiten ’s lands grenzen minder prioriteit hebben. Dat neemt niet weg dat het buitenland voor China ook deel is van de oplossing van die binnenlandse problematiek. Want het buitenland betekent voor China in eerste plaats een markt. Een markt waar het producten kwijt kan waar binnenlands geen vraag naar is, domweg omdat de meeste Chinezen er het geld nog niet voor hebben.

Voor Chinese producenten is dat een wezenlijke kwestie: de ontsluiting van de binnenlandse markt. In China is de afgelopen jaren zoveel geld gepompt, gemiddeld een miljard dollar aan buitenlandse investeringen per week, dat allerhande fabrieken produceren tegen de klippen op. Ze maken veel, heel erg veel, maar verkopen het niet omdat de binnenlandse afzetmarkt zich beperkt tot een deel van de pakweg 250 miljoen Chinezen die tot de middenklasse worden gerekend.

Om die reden belanden steeds meer Chinese producten in het buitenland, en dan met name in de Derde Wereld waar minder hoge eisen worden gesteld aan kwaliteit. En de enkele keer dat die producten Europa bereiken, zoals twee jaar geleden gebeurde met een onwaarschijnlijk goedkope Chinese jeep, loopt het dikwijls uit op een fiasco. (De auto, een Jiangling Landwind werd door de strenge Europese inspectie zo ongeveer naar de schroot verwezen).

Sterker, de meeste Chinese bedrijven die een buitenlands avontuur beginnen doen dat meestal niet uit kracht, maar uit zwakte: als ze het buitenland niet zouden opzoeken, dan waren ze waarschijnlijk in eigen land al over de kop gegaan. Maar dat is niet het enige.

De Chinese economie is inmiddels zo op stoom dat de zoektocht naar grondstoffen weldegelijk een kwestie van lijfsbehoud aan het worden is. Kan het monster, dat het economisch mirakel is, niet gevoed, dan vreest Peking zonder veel overdrijving zijn eigen ondergang. De schoorsteen moet roken, de groei moet blijven, anders dreigt er oproer, zo is de gedachte binnen de muren van het Zhongnanhai, het Chinese Kremlin.
En dus stuurt het zijn volk de wereld in op zoek naar koper, ijzer, zink en, inderdaad, olie. Overal zet het bakens uit en overal koopt het belangen in. Van Angola tot Argentinië, van Birma tot Brazilië, van Zambia tot Zuid-Afrika.

China is present – en welkom. Want China komt niet alleen om te plukken, zo blijkt, het laat ook wat achter. Wezenlijke zaken, als het aan de landen ligt die vaak al sinds mensenheugenis grondstofrijk, maar berooid de toekomst tegemoet hebben moeten treden.

China legt wegen aan, spoornetwerken , overheidsgebouwen, vliegvelden, sportcomplexen en stadions. Het levert ingenieurs. Biedt opleiding en training aan, en het niet onaantrekkelijke vooruitzicht een opkomende wereldmacht te vriend te hebben.
En dat allemaal onvoorwaardelijk.

Althans, in ruil voor al die generositeit vraagt China ‘slechts’ toegang tot grondstoffen. En dat is in de beleving van menig ontwikkelingsland een groot verschil met de manier waarop het Westen zich doorgaans in hun wereld heeft gemanifesteerd: onbescheiden, arrogant en veeleisend.

China, maakt anders dan het Westen ook geen onderscheid tussen het ene of het andere regime. Als er wat te halen valt, hoe omstreden de leverancier ervan ook moge zijn, dan is Peking er voor te porren. Zo is China de grootste afnemer van olie in Soedan, levert het Birma wapens in ruil voor toegang tot de Indische Oceaan en heeft het belangen in de mijnindustrie in Zimbabwe.

Eigen zaken
Van kritiek is China niet gediend. En daar ligt meteen ook de kern van zijn succes in de Derde Wereld – en in de toekomst misschien ook wel in de rest van de wereld: het bemoeit zich enkel en alleen met zijn eigen zaken. ‘Inmenging in binnenlandse aangelegenheden’ is decennia lang een waarschuwing geweest om het buitenland, en dan met name Europa en de Verenigde Staten, ervan te doordringen dat het zich niet heeft te bemoeien met de wijze waarop China het eiland Taiwan onder druk zet, Tibet onder de knoet houdt of anderszins mensenrechten schendt. De wereld, verblind door de gouden beloften van de Chinese markt, houdt zich daar inmiddels slaafs aan. Zo ziet China dat graag.

En dus is het ook niet van plan zelf als criticaster ten tonele te verschijnen. Wat omstreden regimes ook mogen uitvreten, in de ogen van de Chinese machthebber zijn het altijd zaken die alleen die regimes aangaan, en niemand anders.

Een dergelijke houding – omstreden, maar helder – is een aangename aanbeveling voor iedereen die iets in de aanbieding heeft, maar mogelijk ook iets op zijn kerfstok heeft. Het is een houding die China vaste grond onder de voeten geeft op plaatsen waar het Westen amper invloed meer heeft. En het is die instelling die van China’s nieuwe escapades buiten zijn eigen grenzen steeds meer een succes maakt.

Floris-Jan van Luyn is oud-correspondent voor NRC Handelsblad in China. Dit artikel is eerder verschenen in de VPRO Gids.

Reageer