Hoe komt In Europa eigenlijk tot stand? Researcher Kasper Verkaik doet geregeld verslag van het ontstaan van zijn aflevering 1984 - Engeland, die u kunt bekijken op zondag 22 februari 2009 (Ned. 2, 21.05u). Volg the making of 1984 op de voet in deze reeks weblogberichten:

Door Kasper Verkaik

Als lokale leider van mijnwerkersvakbond NUM (National Union of Mineworkers) in Hatfield stond Dave Douglass aan het hoofd van alle stakingsacties in de gemeenschap. Dave is een klein mannetje, maar geniet groot respect. Hij was een echte leidersfiguur. “If Danny said “Jump!”, everybody said “Aye!”,” zegt Pat Bennett over hem. Dave was bovendien een begenadigd spreker en kon met gemak een menigte in vervoering brengen met een vlammende toespraak.

Dave woont inmiddels niet meer in Hatfield. “Het doet me pijn om te zien wat er van het dorp geworden is. De leegstaande pubs, hotels, de verwaarloosde huizen. Ik kan daar niet meer wonen.” Dave is net drie weken met pensioen als ik hem ontmoet in een buitenwijk van Newcastle, zo’n 100 kilometer ten noorden van Hatfield. Het is zijn geboortegrond. Net als vele Hatfielders is Dave een “Geordie”, een benaming voor mensen uit de provincie Northumberland en de omgeving van Newcastle. Na de grote mijnstaking van 1926 kwamen zij en masse naar de mijnen in Yorkshire, om de banen in te nemen van militante stakers die ontslagen waren. Dave is een wandelende encyclopedie en een zeer belezen man, en leidt me in sneltreinvaart en snelle pas rond door zijn geboortestad, waar het vroeger wemelde van de mijnen. Maar die zijn nu allemaal gesloten.

“Het was een treurige dag,” zei Pat Bennett, “toen Danny The Red uit Hatfield vertrok.” Waarom gaat Dave niet terug naar Hatfield nu hij met pensioen is, vraag ik. Daar zitten al zijn vrienden en collega’s van vroeger. Maar Dave wil niet terug. Niet alleen vanwege de verpaupering, maar ook omdat hij niet de gepensioneerde kan gaan uithangen op een plek waar hij vroeger als vakbondsleider zo’n centrale rol speelde in de gemeenschap. “Ik mis de fysieke uitdaging van het werken onder de grond, ik mis de opwinding van de stakingsacties, ik mis het gevoel om onderdeel te zijn van een grote sociale beweging en het meest mis ik nog de kameraadschap van de jongens.”

Dave kan ook niet aanzien hoe kleinschalig de mijn in Hatfield nu is geworden in vergelijking met vroeger. “Vroeger werkten er bijna 2.000 mensen in die mijn. Iedereen werkte onder de grond, of werkte in een bedrijf dat gelieerd was aan de mijn.” Parallel aan de massale mijnsluitingen degradeerde ook de mijnwerkersvakbond NUM van een oppermachtige politieke kracht met honderdduizenden leden tot een betekenisloos clubje van een paar duizend, voornamelijk oudere, mijnwerkers. “Mijnwerkers zijn nu wat de indianen in Amerika zijn: Een zielig hoopje mensen in een reservaat.” Als we bij een oude schachttoren van de St. Hilda-mijn in South Shields (Newcastle) staan, zegt Dave: “Thatcher heeft geprobeerd ons mijnwerkers levend te begraven. We zijn als de doodskist van Dracula. Ze moesten er knoflook bijgooien om te zorgen dat we niet weer tot leven werden gewekt.”

Ook Dave zegt dat de mijndirectie van Hatfield nu expres militante stakers uit 1984 en hun zoons weren en liever met de “makke” scabs uit Nottinghamshire werken. Enkele weken geleden heeft de NUM voor het eerst weer een vertegenwoordiging gekregen in de Hatfield mijn. Dat is een goeie zaak, zegt Dave, maar een persoon als hij zou daar nooit meer worden geaccepteerd als vakbondsman. Dave is overtuigd marxist en anarchist, en kreeg zijn bijnaam “Danny the Red” dus niet alleen vanwege zijn haarkleur. Sommige ex-mijnwerkers in Hatfield zeggen dat Dave misschien in politiek opzicht te radicaal was, al voegen ze vervolgens allemaal meteen toe dat ze het grootste respect voor hem hebben.

Dave was tijdens de staking van 1984 de architect achter alle grote stakingsacties. In Hatfield, maar ook van de flying picket-acties - door met mannen als Pat Bennett - in de rest van het land. Maar net als Pat had Dave ook zelf al vroeg twijfels over de kansen op een overwinning. Maar die hield hij voor zichzelf. Eén keer vertelde hij zijn vrouw, die zeer actief was in de beweging van mijnwerkersvrouwen, over zijn twijfels. Die werd toen ontzettend kwaad op hem. Het had niet veel gescheeld of Dave had die nacht niet thuis mogen slapen.

Achteraf gezien (al hoewel dat altijd makkelijk praten is, benadrukt Dave) ziet hij drie momenten tijdens de periode ‘84/’85 waarop de mijnwerkers de staking hadden kunnen winnen. Twee keer tijdens de staking stemden de NACOD, de overkoepelende organisatie van voormannen in de Britse mijnen, over het neerleggen van het werk. “Als de voormannen het werk ook neergelegd hadden, dan waren alle mijnen meteen op slot gegaan, omdat dan ook het management niet meer had kunnen functioneren,” zegt Dave vol overtuiging. Het management hield de mijnen nu in onderhoudsmodus, geholpen door een handvol scabs. Het derde moment dat een overwinning heel dichtbij kwam, was het moment waarop de vakbond van havenarbeiders zich solidair verklaarden met de mijnwerkers. Dit legde alle transport uit het buitenland stil. Niet alleen van kolen, maar van alle exportproducten. Alleen hield de staking in de havens maar twee weken stand. Niet alleen werden de stakers in de haven geplaagd door veel stakingsbrekers, ook Labour-voorzitter Neil Kinnock zette druk op de havenvakbonden om weer aan het werk te gaan. Volgens Dave Douglass wilde Kinnock zijn partij niet nog een keer terug in de regering krijgen op de schouders van de mijnwerkers (zoals in de jaren ‘70). Daarmee zou de mijnwerkersvakbond teveel invloed in de partij krijgen. Later zou volgens Dave zijn gebleken dat Margaret Thatcher op het punt heeft gestaan om de strijd op te geven. “Als de havenstakingen nog twee dagen langer hadden geduurd dan zou Maggy hebben ingebonden.”

Nadat de voormannen van NACOD tot twee keer toe tegen een staking van hun vakbond stemden, en na het vroegtijdige einde van de havenstakingen, sloeg bij Dave Douglass de twijfel. Ook al hield hij die voor zichzelf. “We hadden geen grote strategieën meer over, waar we onze hoop op konden vestigen. En geen grote plannen die we nog konden uitvoeren.” De staking kwam in een vacuüm. Dave en anderen binnen de NUM hebben nog geprobeerd om de staking verder uit te breiden en smeedden plannen om Londen te gaan bezetten. Onder andere is geprobeerd om arme zwarte groeperingen in de hoofdstad te mobiliseren om de bezetting te steunen. Maar Dave en de zijnen vonden onvoldoende steun voor hun plannen.

In de laatste weken van de staking was het aantal stakers op straat in de mijnwerkersgemeenschappen door heel het land afgenomen van duizenden tot nog maar enkele honderden. Steeds meer mijnwerkers keerden terug naar hun werk, al was dat percentage in de mijnen in Hatfield en omgeving nog steeds het laagste van heel het land (in Hatfield waren 18 scabs op 1.800 mijnwerkers). Maar omdat een harde kern van stakers niet van opgeven wist, werden in het Thatcher-kamp allerlei methodes overwogen om een einde van de staking te forceren. Er werd gewerkt aan plannen om het leger te mobiliseren (hoewel deze al op kleine schaal aanwezig was in de vorm van soldaten verkleed als politieagenten). Ook werd overwogen om traangas en plastic kogels te gaan gebruiken. Het zouden daarmee steeds meer Belfast-achtige taferelen zijn geworden. Iets wat Dave eigenlijk wel graag had gewild; deze escalatie zou hen veel publieke steun hebben opgeleverd. Maar zover is het niet gekomen. In maart 1985 besloot de afdeling van de NUM in Wales om haar mijnwerkers terug aan het werk te sturen. En was het voor de stakers in Yorkshire ook snel voorbij.

Dave’s huis hangt vol met foto’s van de staking. Meteen bij de deur hangt een grote spotprent over Margaret Thatcher. “We hebben een afspraak met een groep oud-stakers om op de eerste zaterdag nadat Maggy overleden is, te gaan feestvieren op Trafalgar Square in London,” zegt Dave met pretoogjes. Haar motieven waren volgens Dave puur politiek. “Ze was erop uit om de macht van de mijnwerkers te breken, en ze wilde wraak nemen omdat we in de staking van 1974 de conservatieve regering van Edward Heath ten val hadden gebracht.” Waar Thatcher de geest van Teddy Heath in haar hoofd had, had Arthur Scargill de geest van de staking van 1926 in zijn hoofd. Scargill wilde een volledige overwinning voor de mijnwerkers, en een volledige nederlaag voor Thatcher. Ook Dave vindt (net als Pat Bennett) dat de regering met compromisvoorstellen is gekomen die, achteraf gezien, de mijnwerkers beter uit de staking hadden laten komen dan dat uiteindelijk gebeurde. In de zomer van 1984 zouden Scargill en Ian MacGregor van de National Coal Board een overeenkomst op tafel te hebben gehad. Maar ze waren het oneens over één woord. De overeenkomst verdween vervolgens van tafel.

Ik vraag Dave of Thatcher niet een beetje gelijk had dat de sterk verouderde (zware) industrie van Engeland destijds aan vernieuwing toe was, en dat de verschuiving van zware industrie naar meer diensteneconomie in andere Europese landen allang in gang was gezet. Maar Dave is het daar totaal niet mee eens. Voor de mijnsluitingen was volgens hem geen enkel economisch argument te verzinnen. Britse kolen waren niet te duur, zegt Dave. En de enige reden dat kolen uit sommige delen van de wereld goedkoper waren, was dat deze heel veel subsidie kregen van de lokale regeringen. Bovendien werden die kolen tegen een hoge menselijke prijs gedolven. In mijnen in ontwikkelingslanden vielen enorm veel doden en gewonden. In Zuid-Afrika lagen de kolenlagen veel dieper dan in Engeland. Het zou daardoor eigenlijk veel duurder zijn geweest om deze te delven. Maar in Zuid-Afrikaanse mijnen werken ze met slaven, zegt Dave, met meer dan vijfhonderd dodelijke slachtoffers per jaar. Daar valt niet tegen te concurreren. In China werken mijnwerkers volgens Dave nog steeds in omstandigheden die ze in de Britse mijnen al tweehonderd jaar geleden achter zich hebben gelaten. Mensen vergeten altijd dat mijnwerkersvakbonden niet zomaar staken. Ze staken om de positie van de mijnwerkers en hun werkomstandigheden te verbeteren. Het is dankzij het bestaan van een vakbond dat Britse mijnwerkers niet onder het soort omstandigheden hoeven te werken als de mijnwerkers in China, waar de vakbonden geen enkele macht hebben.

Dave ziet Thatcher’s motieven dus als zuiver politiek. In haar nieuwe wereldbeeld zag zij een Groot-Brittanië dat werkte volgens de principes van het neo-liberalisme, en niet langer volgens die van de sociaal-democratie van de Labour-partij. En in dat nieuwe wereldbeeld pasten geen mijnwerkers met een politieke machtspositie van betekenis. Op de vraag of de mijnwerkers een pion waren in Thatcher’s schaakspel om het land klaar te stomen voor het neo-liberalisme, zegt Dave: “Een pion? We waren beide koninginnen. Het was “winners takes all”. En zij heeft gewonnen.”

De echte nederlaag en het definitieve einde van de macht van de mijnwerkers kwam volgens Dave pas in 1992. Tory-premier John Major kondigde toen een nieuwe reeks mijnsluitingen aan. Het publieke protest was enorm: meer dan twee miljoen mensen kwamen op de been in massale demonstraties door heel het land. Maar de daadwerkelijke staking van mijnwerkers duurde in plaats van twaalf maanden dit keer maar twee dagen. De mijnwerkersvakbond NUM was na de vele mijnsluitingen en ontslagen van mijnwerkers meer dan gehalveerd in ledenaantal. Ze had daarom de steun nodig van vakbonden in andere bedrijfstakken om een staking van betekenis op poten te krijgen. Maar die steun kreeg ze niet. “Het Engeland van 1992 was stakingsmoe,” zegt Dave. De definitieve dolksteek kwam toen Labour - vroeger altijd een trouwe politieke partner van de mijnwerkers - besloot om de mijnsluitingenplannen van Premier Major te steunen. In de jaren daarna, ook toen Tony Blair aan de macht kwam, zou de kloof tussen Labour en de vakbonden alleen maar groter worden.

Meer over ‘1984 - Engeland’:
- Bekijk hier de hele aflevering ‘1984 - Engeland’
- Lees meer over ‘1984 - Engeland’ in deze reeks weblogberichten
- Nog meer video, audio en artikelen vindt u op de In Europa Atlas: 1984

Reageer!