Zoals vorige week al bleek, hebben we op de redactie geen gebrek aan aandacht. Brieven vol lof, klachten, vragen, suggesties en vrije interpretaties komen dagelijks binnen. Maar het ingezonden verhaal van F. te U., dat zojuist is binnengekomen, verdient een plekje hier alleen al om de enorme moeite die er in het schrijven moet zijn gestoken.
Het betreft een verweer van Maarschalk Pétain tegen alle aanklachten tijdens zijn gevangenschap in 1950. Het spreekt voor zich dat de beweringen in dit stuk niet noodzakelijkerwijs de opvatingen van de redactie van In Europa weergeven.
Landverraders, criminelen en andere verworpenen zijn door de Franse overheid eeuwenlang verbannen naar meer of minder ver afgelegen eilanden. Het eiland Yeu, 17 km uit de kust van de Vendé, onder liefhebbers bekend vanwege zijn huizen met rood-witte luiken en zijn karakteristieke windmolens, is de plaats waar Philippe Pétain zijn levenslange gevangenisstraf heeft uitgezeten. Zijn graf kan men vinden achter een haag van coniferen, op het kerkhof van het enige dorp van het eiland: een wit houten kruis, een wit gekalkte brede betonnen plaat en daarop de naam van de overledene met een van zijn vier voornamen en zijn militaire rang. Geboorte en sterftedata ontbreken. Wel is aan de rechterzijde een vredespalm afgebeeld.
Op het eiland wijst overigens niets op de voorbije oorlogen, of het zou de tekst van de beroemde radio uitzending van de Gaulle moeten zijn, hangend achter glas in een café in Port Joinville: ‘Fransen, Frankrijk heeft een slag verloren maar niet de oorlog….’ Niemand op het eiland spreekt meer over de Tweede Wereldoorlog. Is het te lang geleden of schaamt men zich er voor?
Maarschalk Pétain - boerenzoon uit Picardië, bekend vanwege zijn defensieve, levenssparende militaire strategieën, winnaar in de gruwelijke slachtpartij van Verdun in de Eerste Wereldoorlog, bijna tot aan het einde van die oorlog overtuigd dat Frankrijk zou verliezen, de meest menselijke en meest geliefde van alle Franse generaals in de Grote Oorlog, maar ook het gehate hoofd van de collaborateursregering van Vichy in de Tweede Wereldoorlog - heeft na zijn terdoodveroordeling in 1945 en de omzetting van zijn straf tot levenslang gedurende 6 jaren, tot zijn overlijden op 95-jarige leeftijd, als boeteling in een vertrek in de citadel van Yeu verbleven.
Dagelijks heeft hij vele uren tijd gehad om te verwijlen bij zijn verleden. Heeft hij schuldgevoelens gehad over verkeerde beslissingen ? Is hij door wraakzuchtige geesten van ellendig gestorvenen gekweld? Heeft hij zich - in gedachten - telkens opnieuw verdedigd tegen de beschuldigingen die tijdens zijn proces tegen hem zijn aangevoerd en met welke argumenten heeft hij zich gerechtvaardigd? Niemand die het weet, want hij heeft er niet over geschreven en weinig over gesproken.
Tussen slapen en waken.
Het is Februari 1950. De 94-jarige Philippe Pétain zit te suffen in zijn houten leunstoel en heeft het koud in zijn slecht verwarmde kamer, ondanks zijn kamerjas. Hij mompelt af en toe en soms beweegt zijn hand. Uit de schimmen die voor hem opduiken, maakt zich een figuur los. Het is André Mornet, de messcherpe aanklager van het Hooggerechtshof, die hem van boven aankijkt. ‘Veroordeelde’, zegt Mornet, ‘strafrechtgeleerden beweren dat uw jury te veel communisten telde en dat over uw lot al was beslist voor de aanvang van uw proces. Ik kom u daarom enkele aanvullende vragen stellen om mij nogmaals te overtuigen van uw schuld. Bent u bereid te antwoorden ?’
Philippe is erg doof en heeft geen gehoorapparaat maar gelukkig verstaat hij de aanklager nu zonder enige moeite. ‘Soyez le bienvenu’ antwoordt hij ouderwets, licht omhoog kijkend, ‘bent u daar al weer. Was U het niet die de stelling verdedigde dat ik in 1940 een complot had beraamd om de macht te grijpen?’ ‘Laat mij de vragen stellen, veroordeelde’, reageert Mornet boos, ‘probeer mij inzicht te geven in uw motieven. Legt u nog maar eens uit waarom u in 1939 een uitnodiging voor een ministerszetel weigerde en in mei 1940, toen de Duitse troepen al in het land waren, eenzelfde uitnodiging accepteerde. Dacht u, als man van 84 jaar, zulk een functie onder die omstandigheden wel aan te kunnen’.
‘U hebt mij dat al vele malen gevraagd, edelachtbare’, zegt Philippe, ‘maar ik zal het nog eens zeggen. Iedereen wist hoe oud ik was en voor niemand leek dat een bezwaar, integendeel. Ik was nodig, zei men, om het volk gerust te stellen, om het vertrouwen te geven in de regering. Ik hoefde er alleen maar te zijn, als minister van staat. Zoiets weigert men toch niet, onder die omstandigheden’. ‘In juni 1940’, gaat Mornet verder, ‘vroeg de president u een kabinet te vormen en u accepteerde opnieuw. Vond u dat een eerste minister er ook alleen maar hoefde te zijn?’ ‘Men vertrouwde mij, mijnheer Mornet, men deed een beroep op mij - hoe had ik kunnen weigeren?’, herhaalt Philippe, geïrriteerd.
Mornet lijkt het antwoord te wegen en vraagt dan: ‘Waarom koos u in juni 1940 met generaal Weygand voor een wapenstilstand en niet voor capitulatie zoals in de ons omringende landen?’ Philippe heeft tijd nodig om zijn gedachten te verzamelen. ‘Edelachtbare’, zegt hij tenslotte, ‘ik ben geboren in 1856 en heb de oorlogsdagen van 1870 bewust beleefd. Maarschalk Achille Bazaine capituleerde in 1871 toen zijn legerkorps bij Metz door de Duitsers in een onmogelijke positie was gebracht. Die capitulatie werd algemeen als schandelijk ervaren. Bazaine moest later voor een Frans militair gerechtshof verschijnen en werd ter dood veroordeeld. Sindsdien is in ons militair strafrecht vastgelegd dat een commandant die zich overgeeft voordat de mogelijkheden tot verzet volledig zijn uitgeput, levenslange gevangenisstraf kan krijgen. In 1940 kon het Franse leger wel nog verzet bieden, maar was het verder kansloos. Capitulatie van het leger zou voortzetting van de oorlog door de Franse natie hebben betekend. De bloedbaden van de Eerste Wereldoorlog waren nog overal in de harten en hoofden van de mensen aanwezig, ook in de mijne. Voor het land zou het verlies van weer een groot aantal jonge mannen een onherstelbare slag geweest zijn. Ik had genoeg van die ‘tuerie’, ik wilde dat niet meer. De wapenstilstand was uit militair oogpunt nadelig voor de Duitsers en kwam voor de bevolking als een opluchting, de minst kwade uitkomst. Wat hadden we onder die omstandigheden meer kunnen bereiken?’
Mornet lijkt tevreden met dit antwoord en verdwijnt, maar een ogenblik later is hij terug, met een heel andere vraag. ‘Veroordeelde, u bent als eerste minister en als chef van staat tijdens de periode-Vichy de eerst verantwoordelijke geweest voor het gevoerde beleid tot april 1944. U draagt schuld aan de anti-joodse wetgeving van 1940 en 1942, aan de samenwerking met een misdadig Duits regime, aan de razzia’s op Joden en zigeuners, aan de wantoestanden in concentratiekampen als Drancy, aan de misdaden van de Franse milities in 1943 en 1944. Waarom hebt u dat laten gebeuren, waarom hebt u niet ingegrepen?’
De woorden van Mornet vallen in een zee van stilte. Het mimiek-arme gelaat van Philippe toont aanvankelijk geen reactie. Na enkele ogenblikken pakt hij met zijn rechterhand de leuning van zijn stoel, duwt zich op en zegt dan, met zijn oude stem, ‘ik heb 5 jaar tijd gehad om over deze onderwerpen na te denken, edelachtbare. We zouden in 1940 meer verzet hebben geboden en misschien meer succes hebben gehad, als er meer verbondenheid was geweest, als Fransen nog Fransen waren geweest. Ik meende dat we de kernwaarden van onze samenleving - gezinsleven, arbeidzaamheid, de katholieke kerk - moesten versterken en het vertrouwen in de overheid herstellen, om onszelf daarmee terug te vinden. Joden stonden tegenover de katholieke kerk en waren daardoor in ons land een wezensvreemd element dat niet ingezet moest worden bij onderwijs en rechtspraak. Deze overwegingen hebben mijn standpunt bij de besluitvorming in October 1940 bepaald. De kerk wist van die besluiten en heeft er mee ingestemd. Door de gedachte dat Duitsland met de wapenstilstand ook de oorlog had gewonnen, zijn fouten gemaakt, waar ik verantwoordelijk voor ben, dat erken ik, maar ik ben trouw gebleven aan mijn land, ik ben niet gevlucht, ik ben bij mijn volk gebleven en heb de consequenties geaccepteerd.
Sta mij toe een wedervraag te stellen. Acht u mijn verantwoordelijkheid voor de fouten van Vichy groter dan die van Churchill voor de 35.000 doden van het bombardement op Dresden, of die van Truman voor de 75.000 doden door de atoombommen op Japan?’ ‘Veroordeelde’, snerpt Mornet ,‘ik ben aanklager van een Frans gerechtshof, niet van het internationale strafhof, geef antwoord op mijn vraag’. ‘Als u mij verantwoordelijk houdt voor hetgeen verkeerd is gegaan tijdens de periode-Vichy’, zegt Philippe hees, ‘dan moet u mij ook de verdienste geven voor hetgeen goed is gegaan in die tijd’.
‘Veroordeelde’, kraakt de stem van Mornet opnieuw, ‘U hebt tegen alle principes van onze Republiek in, mensen laten vervolgen en laten deporteren vanwege hun ras en godsdienst, mensen die hun thuis hadden in dit land. U hebt Frankrijk beroofd van zelfrespect en van geloof in eigen kunnen. Hoe zou u zich kunnen beroepen op verdiensten?’ Pétain heeft zijn stem hervonden, en antwoordt met meer zelfvertrouwen. ‘Edelachtbare, ik heb in mijn carrière telkens geprobeerd levens van mensen te sparen. Op de monumenten in de steden en dorpen staan de namen van de overledenen in de Tweede Wereldoorlog. Hebt u de aantallen vergeleken met die in de Eerste Wereldoorlog? Dat die van de laatste oorlog naar verhouding zo gering zijn, heeft het tijdig staken van een zinloze strijd in juni 1940 tot reden. Het aantal zou nog geringer zijn geweest als De Gaulle niet was gedeserteerd en een onwettig Frans regime had gecreëerd. Zijn oproepen tot verzet, hebben de dood van duizenden Fransen tot gevolg gehad, mensenlevens die zonder enig nut in het niets zijn verdwenen. Voor de afschuwelijke gebeurtenissen in het Velodrome d’Hiver en in Drancy draag ik formele verantwoordelijkheid, maar geen feitelijke. De vervolgingen en deportaties van Joden waar u mij telkens op wijst, zijn geen idee van Vichy geweest. Zonder het bewind van Vichy zou de Franse bevolking nooit in staat zijn geweest zoveel Joden te beschermen. Wie had ooit kunnen denken dat deze mensen zulk een lot tegemoet zouden gaan?’
Het beeld van Mornet is verdwenen als Philippe is uitgesproken. Hij leunt terug in zijn stoel en zucht, opgelucht dat het verhoor voorbij is. Maar als hij enige ogenblikken later zijn blik naar links wendt, blijkt zijn kwelgeest te zijn teruggekeerd. Het snijdende stemgeluid van de aanklager komt hem tegemoet. ‘Veroordeelde’, zegt de stem, ‘in vergelijking tot andere regeringsleiders is u onrecht aangedaan, daar komt uw verdediging op neer. Het hof heeft te weinig aandacht gegeven aan de mensenlevens die u hebt gered. Heb ik dat goed begrepen?’
Op het masker van Phillipe wordt een trek van emotie zichtbaar. ‘Kunt u mij geen ogenblik met rust laten?’, vraagt hij met ingehouden woede. ‘Gaat u svp weg, en kom niet meer terug’. ‘Veroordeelde’, zegt de stem, ‘ontwijk mijn vragen niet, u en ik zijn hier niet voor ons genoegen’. ‘U kent mijn antwoord’, reageert Philippe kortaf, ‘ik heb het u al honderdmaal gezegd. Ik ben het niet eens met de motivering van het Gerechtshof, wel met de straf en de strafmaat’. ‘Dat is niet voldoende’, zegt Mornet, ‘ik wil een verklaring’.
‘In Verdun’, zegt Phillipe met hoge, dunne oude mannenstem, ‘zijn in 1916 in een tijdsbestek van minder dan een jaar 300.000 Franse mannen te gronde gegaan. Wie daar verantwoordelijkheid voor draagt, kan niet zonder schuld zijn’. Philippe richt zich nog verder op en schreeuwt dan plotseling: ‘Wilt u nu weggaan, mijnheer Mornet, en niet meer terugkomen?’ Mornet glimlacht tergend, en verdwijnt in de linker uithoek van het vertrek.
Philippe zakt tegen de rugleuning van zijn stoel, uitgeput, en valt in een droomloze slaap. Als hij een uur later geleidelijk ontwaakt, verschijnt een beeld in zijn gezichtsveld. Het is André Mornet, de messcherpe aanklager van het Gerechtshof, die nieuwe vragen voor hem heeft.
Verantwoording De vragen in dit verhaal zijn niet op deze manier gesteld, de antwoorden zouden naar mijn overtuiging wel op deze manier kunnen zijn gegeven.
Phillipe Alméras - Un Francais nommé Phillipe Pétain (Editions Robert Laffont, Parijs, 1995)
Michèle Cointet - L’Église sous Vichy 1940-1945. La repentance en question (Perrin, 1998)
Éric Conan, Henry Rousso - Vichy, un passé qui ne passe pas (Gallimard, Parijs, 1996)
Julian Jackson - France, The dark years 1940-1944 (Oxford, Oxford University Press, 2001)
Robert O. Paxton - La France de Vichy 1940-1944 (Nouvelle edition, Parijs, Seuil, 1997)
Meer over ‘1940 - Frankrijk’:
- Bekijk de hele uitzending ‘1940 - Frankrijk’
- Lees alle weblogberichten over 1940
- Vind meer video, audio en artikelen op de In Europa Atlas: 1940
