Om de een of andere reden speelt Frankrijk deze weken een grote rol op de redactie. Een grote reis zal volgende week door maker Hans Fels gemaakt worden voor de aflevering van 1943. Een aflevering over verraad, collaboratie en overleven. Stefanie de Brouwer vertelt over haar onderzoeksreis door Vichy:
Hans Fels en ik stappen om zeven uur ’s ochtend op Schiphol op de trein. 12 uur later rollen we eindelijk binnen op het station van Vannes, een klein stadje vlakbij de Zuid-Bretonse kust. De man die we gaan ontmoeten zou ons opwachten bij de kiosk.
Bernard Ullmann heeft gewacht tot zijn tachtigste, nu twee jaar geleden, om een boek te schrijven over zijn moeder. Haar, en dus ook zijn, geschiedenis, is dan ook wel iets om even over na te denken. Zijn moeder, een telg uit de Joodse Parijse bourgeoisie, was de vrouw van een van de leiders van het collaborerende Vichy-regime, die in 1947 werd gefusilleerd wegens hoogverraad. Als zoon van een ‘Ere-Ariër’ van joodse afkomst, heeft Bernard vanuit een wel heel bijzondere positie in het Hart van de Collaboratie kunnen kijken. Zijn boek over die tijd is sober, niet-veroordelend, maar messcherp.
Maar hoe herkennen we elkaar?, vroeg hij aan de telefoon. Ik zou een bordje ophouden met zijn naam erop geschreven, spreken we af. Als ik de stationshal inloop, sla ik mezelf voor het hoofd: vergeten een bordje te maken. Ik houd het boek omhoog, me op dat moment niet realiserend dat op de cover een grote foto van Bernards moeder staat. Ik zie een oude man even schrikken. Hij glimlacht naar me: “Het bloed heeft me geroepen”.
Hans en ik hadden onderweg naar Vannes al uitgebreid gesproken over het verhaal van Bernards moeder, een vrouw die volgens ons met een bijna jaloersmakende capaciteit om zich af te sluiten voor alles wat er in de buitenwereld gaande is, probeerde koste wat kost door te gaan met haar levensstijl zoals ze dat altijd gewend was. In realiteit zat ze tijdens de oorlog opgesloten in het buitenhuis van haar familie, Parijs was min of meer verboden gebied voor haar geworden ondanks haar Ausweis waarmee de demarcatielijn over kon steken. Ze zou haar man in verlegenheid kunnen brengen vanwege haar afkomst. Toch ging ze, incognito, gewoon door met haar jaarlijkse kuren in Vichy en was ze dolgelukkig als haar man eventjes haar ‘gevangenis’, zoals ze het buitenleven ervoer, kwam bezoeken.
We willen Ullmann spreken om te kunnen bepalen of zijn verhaal de leidraad voor de hele aflevering over Vichy Frankrijk zou kunnen worden. In dat geval zouden we met hem samen op reis willen gaan door Frankrijk, langs alle plekken die van belang zijn voor zowel zijn persoonlijke, als de Europese, geschiedenis.
En dat verhaal gaat als volgt: Lisette Franck en markies de Brinon trouwen in 1934. Hiervoor moet Lisette zich wel bekeren tot het katholicisme, wat ze zonder aarzelen doet. Samen met haar twee zonen uit een vorig huwelijk betrekken ze een appartement aan de Quai de la Béthune, waar al gauw tout Paris ontvangen wordt. Lisette staat graag in het middelpunt van de belangstelling en met haar man, een gevierd journalist, kan ze het glamoureuze leven leiden dat ze wenst.
Markies de Brinon is een pleitbezorger van goede Frans-Duitse betrekkingen en is de aanjager achter het Comité France-Allemagne dat in 1935 wordt opgericht. De dreigende oorlog moet koste wat kost voorkomen worden volgens deze club, die overigens gesubsidieerd wordt door de Franse overheid. In 1936 publiceert de Brinon als eerste Franse journalist een interview met Hitler, die bij hoog en bij laag beweert dat hij op geen enkele wijze oorlog wenst. Als de oorlog dan toch uitbreekt en de Fransen zich snel neerleggen bij hun verlies, weet de Vichy regering van Pétain de markies al snel te vinden voor een hoge post: afgezant van de regering bij de Duitse bezetter in Parijs.
Voor Lisette en haar twee zonen breekt een vreemde tijd aan: de man des huizes is een hoge piet bij het regime dat steeds fellere antisemitische wetten aanneemt en de Duitse bezetters ijverig helpt bij het oppakken van joden.
Bernard is bij het uitbreken van de oorlog 17 jaar. Hij beseft al snel dat er voor hem in het ‘nieuwe’ Frankrijk geen plaats is. Hij voelt sympathie voor de Gaulle, zonder ooit echt bij het verzet te gaan of zelfs maar zijn eigen stiefvader aan de kaak te voelen. “Te netjes opgevoed”, schrijft hij op zijn tachtigste met schaamte op. Aangemoedigd door zijn moeder en geholpen door zijn stiefvader vertrekt hij in 1942 naar Marokko, waar “de oorlog hem al snel inhaalt” als de Amerikanen binnenvallen. Bernard weet zich bij de Franse bommenwerpers verdienstelijk te maken.
Fernand de Brinon blijft als een van de weinigen in de Duitse overwinning geloven en vlucht met een stel getrouwen naar het kasteel van Sigmaringen, waar hij zichzelf uitroept tot hoofd van de Franse regering in ballingschap. Lisette reist hem achterna, maar zelfs nu is zij niet welkom tussen de collaborateurs en ze verblijft in een hotel nabij.
Bernard zoekt als een verbetene naar zijn moeder in de chaos van die laatste oorlogsdagen, maar vindt haar pas terug in de gevangenis in Fresnes, waar alle collaborateurs gevangen worden gezet. Na een paar maanden wordt ze vrijgelaten, maar de Brinon moet voor de Hoge Raad verschijnen.
De Brinon weigert om Lisette nog te ontvangen, hij blijkt allang een verhouding met zijn secretaresse te hebben, alle trouw van zijn officiele vrouw ten spijt. De markies wil wel graag zijn stiefzoon ontvangen in de gevangenis, waar die laatste eindelijk de vragen stelt die hij altijd al wilde stellen. Geloofde je nu echt tot het einde in de Duitse overwinning? De Brinon knikt, in de hoogste kringen van de Duitse regering zoemde het van de geruchten: ze zouden V1 en V2 raketten klaar hebben staan, ja zelfs kernwapens. Als die geruchten waar zouden zijn geweest, dan had de Brinon nu onderhandelingen gevoerd met de Duitse regering over een machtsverdeling.
En dan die brandende vraag: “Had je echt niet in de gaten wat er met ons en alle andere joden zou zijn gebeurd als ze gewonnen hadden?”. De Brinon ontkent van de concentratiekampen te hebben geweten. Ze nemen afscheid. In 1947 wordt de Brinon gefusilleerd, een verschrikkelijke dag voor Bernards moeder die nooit opgehouden was van hem te houden.
We lopen het station uit. Bernard stelt ons voor aan zijn vrouw, een al even oud en kromgetrokken als hijzelf. Dat belet haar niet om met een enorme vaart over de provinciale weg te scheuren, precies midden op de doorgetrokken streep. Bij elke tegenligger trapt ze op de rem, geeft een ruk aan het stuur zodat we bijna de berm invliegen. Bernard zit er onbewogen naast.
Hun huis staat aan de golf van Morbihan, met de voeten bijna in het water. We worden aan de whiskey gezet. Bernard vertelt over zijn bewogen leven. Ondanks zijn hoge leeftijd is hij scherp en helder. Hij was de directeur van het franse persbureau AFP in Peking, Moskou en Washington. Is ternauwernood ontsnapt aan de dood in Cambodja, vlak voor de val van Phnom Penh.
Hans vraagt hem of hij bewust het verhaal over zijn moeder verzwegen heeft al die jaren. Bernard zegt dat het nooit een geheim is geweest, zijn vrienden en intimi wisten ervan. Maar hij heeft het verhaal ook nooit aan de grote klok gehangen zoals hij nu wel gedaan heeft. Dat had toch onhandig kunnen uitpakken voor hem. De Brinon was na de oorlog een naam die met veel afkeer uitgesproken werd.
Hij zegt nooit een vader-zoon relatie met de Brinon te hebben gehad, maar heeft hem ook nooit veracht. De Brinon had gemakkelijk zijn rug naar hen toe kunnen keren, maar dat heeft hij, ondanks ongetwijfeld vele aansporingen uit zijn omgeving, nooit gedaan. Toch heeft Bernard nooit een traan om zijn dood gelaten, “ik vond wel dat hij het verdiend had eigenlijk”.
Over Vichy zegt hij: “de meeste Europese landen willen het nu niet meer weten, maar in de meeste landen, ook in Engeland, bestonden sterke proDuitse stromingen tot in de hoogste regionen van de regering. Frankrijk bestond de bijzondere situatie dat alle generaals zo oud waren dat ze de eerste Wereldoorlog hadden meegemaakt. Men wilde eenvoudigweg niet vechten, de verschrikkelijke oorlog van 14-18 stond hen nog te vers op het netvlies. En de meeste Fransen waren het met hen eens.
In andere landen wonnen toevallig de andere krachten, maar het had ook daar anders kunnen lopen.
We dineren samen met de Ullmanns, de gespreksonderwerpen lopen uiteen van de bezigheden van de kinderen (journalist, manager bij Michelin en acteur) tot de vraag hoe het nou kan dat in een land met een collaborerend regime en de naam antisemitisch te zijn, ‘slechts’ 12% van alle Franse joden is gedeporteerd naar de kampen, tegenover driekwart in Nederland. We komen er niet uit. Het is onuitgesproken duidelijk dat we samen die tocht door Frankrijk, het Frankrijk van 1940, samen gaan maken.
Na het eten staan ze erop om ons weer terug naar Vannes te brengen. Dan volgt een worsteling met een oude kaart van Vannes, telefoontjes naar het hotel waar we die avond zullen slapen en veel paniek over de lokatie ervan. Hans probeert de functie van zijn TomTom uit te leggen die de Ullmanns welwillend aanhoren. “Wat een prachtig apparaat”. “Ja, dus u hoeft niet verder te zoeken op de kaart”. Daar wil mevrouw Ullmann niets van weten en ze wuift het navigatiesysteem met een handgebaar weg.
We nemen weer plaats achterin het kleine autootje en houden ons vast voor de terugrit. Weer remmen bij tegenliggers, weer midden op de weg rijden en een sterk vermoeden van nachtblindheid. Als we in Vannes aankomen, zwabbert het autootje over de weg, om straatnamen te kunnen lezen links en rechts. Toeterend flitsen de auto’s ons links en rechts voorbij. Hans houdt de Tom Tom voor de neus van Ullmann, “Kijk hier zijn we en nu moeten we naar links”. “Nee, dat zeker niet”, roept mevrouw Ullmann en zwabbert verder, al gebarend en ruziënd met haar man over de te volgen route. We proberen nog een paar keer uit te leggen dat wij wel weten waar we heen moeten, maar het mag niet baten.
Mevrouw Ullmann presteert het om midden op een groot kruispunt stil te gaan staan om nog eens flink te foeteren tegen haar man. In de verte zie ik met grote snelheid koplampen op ons afkomen. Net voordat de auto té gevaarlijk dichtbij is, roept mevrouw Ullmann: “Ah, daar zie ik het uithangbord van jullie hotel”. Ze geeft gas, negeert zonder pardon het verbodsbord en rijdt tegen het verkeer in naar de voordeur van het hotel. We stappen uit en bedanken haar uitbundig.
Meer over ‘1940 - Frankrijk’:
- Bekijk de hele uitzending ‘1940 - Frankrijk’
- Lees alle weblogberichten over 1940
- Vind meer video, audio en artikelen op de In Europa Atlas: 1940
