Je moet je publiek altijd voor blijven - Interview met regisseur Todd Solondz
5 februari 2010 | door t.manuhutu | in de categorie: Artikel van de dagRegisseur Todd Solondz (50) maakte met Life During Wartime een eigenzinnig vervolg op zijn veelgeprezen buitenwijksatire Happiness uit 1998. ‘Ik geef echt om mijn personages.’
Door Bor Beekman
Het kan iedere regisseur overkomen. Tien jaar na de conceptie van wat velen als je meesterwerk beschouwen – in Todd Solondz’ geval de buitenwijksatire Happiness – krabbel je op een avond wat flarden vervolgdialoog op papier. Zonder de ambitie om nu direct een vervolg te maken, misschien slechts uit interesse. Want hoe zouden je personages er nu, jaren later, voorstaan? Hoe is het gesteld met de joodse familie Jordan? Streven de drie zussen Joy, Trish en Helen nog even dwangmatig naar het onbereikbare geluk? Vullen ze de dag nog steeds met het ophouden van façades? En is de zorgzame echtgenoot van Trish, die in Happiness een bij de familie logerend kind bedwelmde en misbruikte, inmiddels weer vrijgelaten uit de gevangenis?
‘Je weet noooooit waarom je je pen op het papier zet’, doceert Solondz (Newark, 1959) met zijn plagerig zeurderige stem. De regisseur en scenarist, die bekendstaat als uitgesproken kritisch over zijn eigen werk en dat van anderen, liet eerder weten weinig op te hebben met de in Hollywood zo geliefde sequel, dat veilig uitmelken van oud succes. Ooit, vers van de New Yorkse filmschool, sloot de om zijn korte films al hoog aangeschreven Solondz een Three Picture Deal met filmmaatschappij Fox, die hem vervolgens vroeg de tienerkolder Revenge of the Nerds II te regisseren. Hij weigerde, waarna het contract weer werd ontbonden.
‘Ik analyseer nooit waarom ik schrijf’, zegt Solondz, ‘maar toen ik eenmaal doorkreeg waar ik naartoe werkte, besloot ik dat een nieuwe film hoe dan ook geen rechttoe rechtaan sequel van Happiness mocht worden. Ik zag de noodzaak om te spelen met de karakters, me open te stellen voor nieuwe mogelijkheden.’
Zo liet hij sommige personages twintig jaar ouder worden, andere slechts vijf. En hij verruilde de eerdere cast (met onder anderen Lara Flynn Boyle en Philip Seymour Hoffman) voor een nieuwe. ‘Frisse acteurs en andere kleuren – het moet vers voelen. Als filmer moet je elke keer het wiel willen uitvinden, of je nu een vervolgfilm maakt of niet.’
Life During Wartime, het nieuwe deel in het familie-ensemble, ging in september vorig jaar in première tijdens het filmfestival van Venetië, waar het de prijs voor het beste scenario won. Alhoewel de film ook goed los van Happiness te zien is, hield Solondz wel rekening met de verwachtingen van het deel van het publiek dat bekend is met zijn eerdere werk. ‘Je wilt dat ze denken te weten wat zich afspeelt, en dan duw je alles een andere kant op. Je moet ze altijd voor blijven, anders heeft filmen geen zin.’
Metamorfose
Wie de foto’s kent van de vroege Todd Solondz, die in 1995 doorbrak met het vilein-geestige highschoolportret Welcome to the Dollhouse, moet constateren dat de filmer sindsdien een kleine metamorfose heeft ondergaan. Verdwenen zijn de uilenbril en de onmogelijke kledingcombinaties waarmee hij zijn nerdy imago doelbewust leek te cultiveren. De New Yorker Solondz, die in zijn eerste films ook zelf acteerde en in een cameo is te zien in As Good As It Gets, schrok terug van de neveneffecten van roem. Hij haat het wanneer vreemden hem herkennen en zomaar aanspreken. Interviews in eigen land stond hij lange tijd slechts bij uitzondering toe, op straat ging hij voortaan onopvallend, en brilloos, gekleed. Het hielp hem zijn persoonlijke leven te normaliseren. Maar een man in balans zou hij zichzelf niet willen noemen.
‘Het proces van een film maken is een nachtmerrie, elke keer weer. Als je een script schrijft, denk je uiteraard dat het geniaal is, uniek in de geschiedenis van de cinema. Maar dan komen de acteurs aan boord en verandert alles. Eenmaal in de montagekamer realiseer je je hoeveel geld je had kunnen besparen als je had geweten dat je script toch niet zo’n toonbeeld van perfectie was. Ook deze film had me kapot kunnen maken. Ik kan er nu wel om lachen, maar dan toch op die manier van: oh my god, de tumor is niet kwaadaardig. Ik ben niet ontslagen en niet aangeklaagd – dat is op zichzelf al prachtig.’
En dan volgt een grijns. Solondz, die in zijn jeugd korte tijd als stand-up comedian werkte, is eraan gewend zijn antwoorden soms tussen serieus en half-serieus te laten bungelen. Of hij mompelt iets dat zowel ja als nee kan betekenen. Vraag hem naar de herkomst van zijn achternaam en hij memoreert hoe zijn oma ‘mogelijk is verkracht door de kozakken’.
Maar hij dramatiseert de lasten van de uitoefening van zijn vak niet, beklemtoont hij. ‘Gelukkig zijn er nog mensen gek genoeg om er geld in te steken, maar makkelijk gaat het niet.’
Zo bedankte een lange reeks acteurs voor de rol als pederast in Happiness, en werd een als te grof beoordeelde interraciale seksscène uit zijn film Storytelling (2001) in de Amerikaanse bioscoop gecensureerd met een groot rood vlak – een unicum.
Solondz: ‘Als ik naar de film ga, wil ik juist worden geprovoceerd tot een emotie. Liefst op onverwachte wijze, en met betekenis.’
Toch stuurt hij met Life During Wartime eerder aan op vergeving en mededogen dan op controverse. De drie zussen Joy, Trish en Helen zijn kwetsbaarder en menselijker dan in het eerste deel. En de in de maatschappij teruggekeerde pedofiel poogt nog iets van het contact met zijn zoon te herstellen. Als een boetedoening beleeft hij hotelseks met de zestiger Charlotte Rampling, die een door zelfhaat verteerde, verlepte verleidster speelt, in een van de ongemakkelijkste vrijscènes uit de filmgeschiedenis.
Pedofilie op zichzelf fascineert hem niet: ‘Het is een metafoor voor de positie van de verstoteling, degene die het meest wordt veracht en gevreesd. Het functioneert op dat niveau in de film, en daagt uit om bepaalde waarheden te ontdekken over wie we zijn, en waartoe we in staat zijn – moreel en emotioneel.’
Zonder humor zouden zijn films niet werken, erkent hij. ‘Dan wordt het ondraaglijk. De komedie is de wijze waarop ik wel moet opereren. Ik vlecht een vorm van ironie in mijn scenario’s, maar ik probeer me wel echt bezig te houden met de personages. Ik geef om ze en voel echt voor ze.’
Dat zijn bioscooppubliek soms net iets te hard om zijn films lacht, kan hem zeer storen. ‘Het is ook niet zo – wat sommige mensen lijken te denken – dat ik begin met: o, ik ga nu de meest miserabele mensen ter wereld scheppen, want dat is leuk. Nee, en ik geloof ook niet dat mijn karakters nou zoveel ongelukkiger zijn dan die in andere films. Ze worstelen, maar dat doet iedereen.’
Er wordt hem vaak gevraagd of, en in welke mate, hij zijn personages uit zijn eigen omgeving en jeugd plukt. ‘Maar zo werk ik helemaal niet. In al mijn films is niemand gebaseerd op een bestaande persoon. Natuurlijk, ook ik groeide op in een familie, dus ik heb ervaring uit de eerste hand. En zeker, mijn familie heeft me een eindeloze hoeveelheid materiaal meegegeven. Maar mijn leven is niet meer of minder interessant dan dat van iemand anders.’
Jongentje
Wanneer Solondz het raamwerk bedenkt voor een nieuwe film, stelt hij zich eerst voor een jongetje van 11 te zijn. ‘Op het basisniveau moet het zo simpel zijn dat een kind van die leeftijd het kan bevatten. Pas daarna voeg ik de lagen toe die alles complexer maken – het politieke en sociale gedoe.’
De grote veranderingen in de Amerikaanse maatschappij – tien jaar na Happiness – spelen volgens Solondz wel een rol in Life During Wartime, maar slechts latent. ‘De titel spreekt al van een andere tijd. Het typische van de hedendaagse oorlog is dat er in Amerika geen dienstplicht is. Het zijn slechts bepaalde segmenten van de maatschappij die militair zijn en vechten. Je kunt leven zoals ik, in New York, zonder ook maar iemand te kennen die vecht, zonder enige connectie te hebben met de realiteit van de oorlog. Je moet jezelf knijpen om je zelfs maar te kunnen herinneren wat er aan de hand is. In dat opzicht zijn de Verenigde Staten helemaal niet zo verenigd. Daar wil ik indirect iets over zeggen.
‘Maar de oorlog is natuurlijk ook gewoon bedoeld als metafoor voor de persoonlijke en innerlijke strijd – alles wat drama oplevert.’
Dat zijn films door veel critici als aartspessimistisch worden beschouwd, begrijpt hij niet. ‘Ze gaan misschien over zelfbedrog, als overlevingsmechanisme. Maar dat zijn universele gevoelens. Iedereen voelt zich alsof hem een slechte hand kaarten is toebedeeld, en vraagt zich af waarom. Maar je speelt zo goed als je kunt. Oké, ik heb geen vier azen, geen straat of een flush, maar misschien krijg ik – op een zeker punt – wel een paartje. En dan voelen we: het leven is het toch allemaal waard!’
En zo is hij vast van plan om na Life During Wartime weer in een nieuwe nachtmerrie te stappen. ‘En dan geloof ik tegen beter weten in dat het de mooiste en prachtigste film aller tijden wordt. Want als ik vooraf ga analyseren, regisseer ik nooit meer een film.’
Te zien in Rotterdam:
Vrijdag 5-2 22:15  PA5
Zaterdag 6-2 16:00 DJZ


