De eerste reeks (2008)

Geplaatst op 22 oktober 2009 door Maarten Slagboom

27484

Surf hier naar de volledige CANVAS-site van 2008.

Bekijk: Uitzending 1: Naema Tahir en Dimitri Verhulst.

Naema Tahir vergelijkt zichzelf graag met de apenbroodboom. Kleine wortels in de aarde, grote in de lucht. Want waar steken je wortels in de aarde, als je op je zestiende al zes maal bent gemigreerd? Niet in de Pakistaanse Punjab waar haar ouders vandaan komen, niet in het Engelse industriestadje Slough waar ze opgroeide, en ook niet in het Etten- Leur van haar tienerjaren. In Tahirs roman Eenzaam heden klimt de tienjarige Dina uit Londen, kind van Pakistaanse ouders, van de weeromstuit in de perenboom van haar buurman. Om te wortelen, te aarden. Naema Tahir vindt als zestienjarige houvast door vijf maal per dag te bidden, vijf maal per dag te douchen, het lievelingsfruit van de Profeet te eten, te slapen met een hoofddoek om, en te dromen van het martelaarschap.
In datzelfde jaar, 1986, ruimt de veertienjarige Dimitri Verhulst in het dorpje Nieuwerkerken ’s ochtends de kots van zijn ladderzatte vader op. Naema maakt in haar jaren des onderscheids kennis met de maagdenvliescultus en het gearrangeerd huwelijk, Dimitri met zuipwedstrijden, kilo’s rauw gehakt en stukgeslagen meubels. Met recht twee writer’s goldmines. Maar hoe groeien een vroom moslimmeisje en een door pleegzorg en jeugdinstelling opgevangen jongen uit tot succesvolle romanschrijvers? Verhulst verwoordt het zo: ‘Om uit je ei te kruipen moet je het breken.’ Hij brak het onder meer door zijn familiegeschiedenis op te tekenen in De helaasheid der dingen en koos voor een teruggetrokken leven op een heuveltje in Wallonië, dat hij af en toe afdaalt om ‘op café’ te gaan in. De televisie op zolder gaat alleen aan als er een wielerwedstrijd is. Grote wortels in de aarde, kleine in de lucht. En Tahir? Zij werkte zich via universiteit, Verenigde Naties en Raad van Europa op tot een kosmopoliet met vertakkingen naar internationale kenniscentra. Met pijn en moeite hebben de twee generatiegenoten zich ontworsteld aan hun milieu. Als schrijvers toonden ze en passant overtuigend hun geloof in de maakbaarheid van hun levens aan. Het jongetje dat in slaap viel op de biljarttafel terwijl vader zich liet vollopen, schreef recent de geschiedenis van de mensheid in 186 pagina’s (Godverdomse dagen op een godverdomse bol), het vrome meisje van weleer voltooide onlangs een bundel met vileine sprookjes over de islam (Groenkapje en de bekeerde wolf).

(VPRO-Gids 43, 2008)

Zie ook: De redactie spreekt met: Naema Tahir.


Bekijk: Uitzending 2: Annelies Verbeke en Charlotte Mutsaers.

Als het leven van de Vlaamse schrijfster Annelies Verbeke soms te chaotisch verloopt, wijt ze dat aan een slordige montage. ‘Soms springen de beelden zo op elkaar dat je niet ziet wat er gebeurt, soms zo traag dat je je afvraagt of er nog wat komt. Flashbacks verstoren lawinegewijs de aandacht, te pas en te onpas wordt er gebruikt gemaakt van herhaling’, schreef ze eerder dit jaar in een column. Het mag geen verrassing zijn dat een schrijfster die elke levensfase recenseert alsof het de nieuwe David Lynch betreft zelf ook scenario’s schrijft. Verbeke, die veel lof oogstte met de roman Slaap!, ziet in alles een verhaal. Waar nodig helpt ze de werkelijkheid een handje, ‘als zij een verhaal probeert te worden’. Tegenstrijdigheden vormen daarbij nooit een beletsel, want de schrijfster en haar verbeelding zijn in control. Zonder dat de lezer daarop is voorbereid, doemt plots een kabouter of een reus op, en reken er maar niet op dat je vervolgens uit de droom geholpen wordt door een ‘terugkeer’ naar de realiteit. Realiteit en verbeelding verstrengelen zich in elkaar en maken voortdurend een pirouette, net als in het werk van de Nederlandse Charlotte Mutsaers. Maar waar de schrijfster Verbeke een denkbeeldige camera op haar schouder meedraagt, heeft de schrijfster Mutsaers het oog van de beeldend kunstenaar. Niet voor niets is het Mutsaers’ stellige overtuiging dat er, als er zoiets bestaat als een ’schilderachtig landschap’, ook ’schrijfachtige landschappen’ moeten bestaan. Haar blik is altijd vorsend, uit op associaties die anderen over het hoofd zien. In haar eerder dit jaar verschenen roman Koetsier Herfst wordt een condoom vergeleken met een kaboutermuts, een clitoris met een clownsneus. In zo’n universium is een Nokia-gsm een volwaardig personage en schept een ander er genoegen in aan de urine van haar bedgenoot te proeven welke champagne hij heeft gedronken. Deze schrijfster permitteert zich iedere gedachtensprong, iedere associatie, alles wat maar denkbaar is, zolang het haar verhaal maar voortstuwt. Wie in die maalstroom meegaat, wie de onnavolgbare gedachtensprongen en bizarre karakters de kans geeft, wordt net als bij Verbeke beloond met ontroering en leest een boek over eenzaamheid en mededogen. Ook Mutsaers is de schrijfster die volledig in control is en zich niets gelegen laat liggen aan conventies en beperkingen die door de realiteit zijn ingegeven. Niet voor niets doopte de schrijfster de twee delen van haar laatste boek Use your illusion I en II. Vrij naar Guns ‘n’ Roses. Zelfs de associatie met die rockband krijgt in de tovenarij van Mutsaers een eigen logica. Aan de tafel van Iets met boeken is deze avond de verbeelding aan de macht.

(VPRO-Gids 44, 2008)

Bekijk: Uitzending 3: Paul Verhaeghen en Hans Münstermann.

Forward. Rewind. Fast forward. Slow motion. Het moet de natte droom zijn van professor Barabas, de manier waarop de Vlaamse schrijver Paul Verhaeghen en zijn Nederlandse collega Hans Münstermann vanachter hun schrijftafel de afstandsbediening van de tijd gebruiken. Niet alleen flitsen ze geregeld naar een ander tijdvak, waar nodig laten ze tijdvakken versmelten, elkaar inhalen of met een duizelingwekkende rotvaart tegen elkaar botsen. In Münstermanns roman De bekoring stapt een moeder, die in het Amsterdam van de jaren vijftig haar huis en gezin verlaat, in tramlijn 24. Op weg naar geluk, op weg naar een nieuwe wereld. Terwijl ze door het glas van de tram staart worden herinneringen uitgewist. De toekomst ligt open, maar er duikt een achtervolger op: de architect van het wijkje waarin haar verlaten gezin woont. Hij pikt deze wending in haar leven domweg niet. Die woninkjes zijn ontworpen voor een gelukkig, vrolijk gezinsbestaan, niet om ze te ontvluchten. Let wel: het gaat hier om de werkelijke architect van het bewuste Amsterdamse wijkje, op het moment van het verhaal in real time al lang overleden.
Zonder voertuig voor de tijdreis is er altijd nog het domein van de droom. Dromen, schrijft Paul Verhaeghen in zijn lijvige, barokke epos Omega Minor, zijn ‘de ingangspoorten voor de schemerigste paleizen van de geest: ze verlenen doorgang’. In Münstermanns nieuwe roman Land zonder Sarah belandt Adolf Hitler via zo’n doorgang, in slaap gesukkeld in een westwaarts schommelende trein, in het 21e-eeuwse Nederland, waar een kale homoseksueel premier is en iedereen ontredderd is na de moord op een televisie-interviewer. Achter de schrijftafel gezeten worden heden en verleden met elkaar verweven, en niet zelden ook nog eens danig gekanteld. In Omega Minor wordt een joodse overlevende van de holocaust in het heden ontmaskerd als een nazi met een atoombom, in Land zonder Sarah wil een oude nazi zich in het Nederland van 2008 juist opwerpen als woordvoerder van mensen ‘die de Verlichting door hun strot geduwd krijgen’. De (nasleep van) de Tweede Wereldoorlog is bij deze schrijvers nooit ver weg. Maar terwijl Verhaeghen samenhang en betekenis zoekt tussen de brokstukken van de twintigste eeuw, en een goochelaar De Muur laat optrekken, houdt Münstermann het dichter bij huis. In zijn particuliere mythologie staat één dag centraal, 10 mei 1940. Op de dag van de Duitse inval in Nederland treden de Duitse vader en Nederlandse moeder van zijn alter ego in het huwelijk. In dit geval hoefde de schrijver de werkelijkheid nauwelijks geweld aan te doen. Zijn Duitse vader en Nederlandse moeder trouwden inderdaad in mei 1940, zij het niet precies op de tiende. Verhaeghen, in het dagelijks leven cognitief psycholoog, tekent het in zijn boek zo op: ‘Geschiedenis is de leugen die het heden vertelt om het verleden zin te geven’.

(VPRO-Gids 45, 2008)

Zie ook: De redactie spreekt met: Hans Münstermann.

 

Bekijk: Uitzending 4: Herman Brusselmans en Kader Abdolah.

‘Als ik er maar niet mijn huis voor uit hoef,’ antwoordde Herman Brusselmans toen hij van het tijdschrift Rails ooit het verzoek kreeg een reisreportage te schrijven. En zo geschiedde. Brusselmans reisde achter z’n schrijftafel af naar het koninkrijk Ammi, ingesloten tussen Jemen, Oman en de Verenigde Arabische Emiraten. In gezelschap van figuren als Sadammetje, een 44-jarige dwerg die shows geeft als fietsequilibrist, en een tot Amminiet genaturaliseerde Rus die de Tjetsjeense herdershond als heilig dier wil introduceren in de Arabische wereld, trekt Brusselmans in zijn reisverslag mopperend door het land. Om de haverklap moet hij naar de wc en tot overmaat van ramp moet hij zich bij de Jemenitische grenspolitie ook nog verantwoorden voor zijn lange haar. ‘Een kouwelijke nek,’ is zijn respons. Enfin, u begrijpt, het is uitgesloten dat Herman Brusselmans ooit een reis naar de Arabische wereld, of welk verweggistan dan ook, zal maken. Het contrast met de Nederlandse schrijver Kader Abdolah kan in dat opzicht niet groter zijn. Abdolah, Iraanse balling in Nederland, wil de eerste schrijver zijn die de Nederlandse literatuur en de rijke Perzische traditie versmelt. Daarbij heeft hij zich met zijn eerder dit jaar verschenen Koran-vertaling ook nog eens de taak gesteld mensen te overtuigen van de literaire schoonheid van de Koran - een project waarmee hij volle bibliotheken en kerken trekt en waaraan hij vanaf volgend jaar een eredoctoraat in Groningen dankt. Toch hebben de twee literaire mastodonten meer gemeen dan je op het eerste oog zou vermoeden. Er lijkt tot op zekere hoogte sprake van een rollenspel, waarbij Brusselmans zich nog al eens van zijn meest cabareteske kant laat zien en Abdolah consequent over zichzelf spreekt in de derde persoon. Brusselmans mag dan een paar boeken per jaar publiceren omdat er brood op de plank moet komen (onlangs verscheen nummer 48, getiteld Een dag in Gent - een titel die overigens de lading van zijn halve oeuvre dekt), net als Abdolah dicht ook hij de literatuur grote betekenis toe. Natuurlijk moet zijn werk op de eerste plaats amuseren, maar dat is niet genoeg. Door lelijkheid, mistroost en leegte te tonen voert Brusselmans naar eigen zeggen indirect propaganda voor de schoonheid. Die helende werking van literatuur geldt overigens niet alleen de lezer, maar ook de schrijvers zelf. Waar Brusselmans via de schrijverij ongetwijfeld zijn angsten te lijf gaat, windt Abdolah er al helemaal geen doekjes om: zijn werk draait om niets minder dan het inlossen van de schuld die hij torst sinds hij vluchtte voor het Iraanse regime. Drie kameraden werden geëxecuteerd, twee andere gevangen gezet. De ik-figuur in zijn boek Portretten en een oude droom hoort continu hun voetstappen achter zich en realiseert zich: ‘De vrijheid die ik nu heb, verdien ik niet’. Er zit niets anders op dan almaar door te schrijven.

(VPRO Gids 46, 2008)

Zie ook: De redactie spreekt met: Kader Abdolah.

Zie ook: Herman Brusselmans over Iets met boeken.

 

Bekijk: Uitzending 5: Frank Westerman en Lieve Joris.

‘Kanttekeningen bij het scheppingsverhaal’ schrijft Frank Westerman ergens halverwege z’n middelbare schooltijd in protestants Assen plechtig in een kringloopschriftje. ‘Achteraf denk ik dat de bètavakken mij het meest aan het twijfelen brachten,’ mijmert hij later in zijn boek Ararat. Ook bij de katholiek opgevoede Lieve Joris rijzen op de kostschool de eerste twijfels over het gesloten wereldbeeld waarmee ze is opgegroeid. In de daarop volgende jaren dijt de vragenlijst in de hoofden van Westerman en Joris alleen maar verder uit. Aanvankelijk biedt de journalistiek uitkomst, al is Lieve Joris op de burelen van de Haagse Post met haar slakkentempo direct al een vreemde eend in de bijt en belandt Westerman pas in het vak na zijn ontgoocheling als ontwikkelingswerker. Hoewel hij jarenlang succesvol dagbladcorrespondent is in Belgrado en Moskou, loopt ook hij uiteindelijk vast in de beperkingen van de journalistiek. Dat een journalist de werkelijkheid heel goed kan condenseren met literaire middelen, dat had New Journalism overtuigend aangetoond, maar voor de vragen die opborrelen in Westermans hoofd schiet de journalistiek domweg tekort. Wat wil je ook, als je non-fictie schrijft die vragen oproept zonder ze te beantwoorden, zoals Ararat. In het boek, het verslag van zijn ‘pelgrimage als ongelovige’ naar de heilige berg Ararat - de lokatie in het huidige Turkije waar de Ark van Noach na de zondvloed zou zijn gestrand - houdt Westerman zijn eigen religiositeit tegen het licht. Ararat gaat over het ongerijmde. Westerman stelt zichzelf de vraag ‘Ben ik religieus?’, precies zoals hij zichzelf in El Negro en ik een paar jaar eerder de vraag ‘Ben ik racistisch?’ stelde.
Ook Lieve Joris reist nog altijd over de globe met Samsonite en een hoofd vol vragen. Haar zoektocht bracht haar in de meest uiteenlopende gebieden, vooral in Afrika en het Midden-Oosten. Al twintig jaar lang zet ze nauwgezet haar reiservaringen om in literatuur. Thuiskomen is vervolgens altijd maar voor even. Terugkerend reisdoel in al die jaren is Congo, het land waar haar heeroom ooit missionaris was. Voor haar nieuwste boek De hoogvlaktes trok ze nog eenmaal naar het land. Naar het enige deel van Congo dat ze nog niet bereisd had, een streek in het oosten ‘met een bevolking zo wars van bureaucratie dat mijn Belgische voorouders er niet in geslaagd waren haar te onderwerpen’. Daar, in dat onherbergzame landschap, even ten zuiden van het gebied dat dezer dagen opnieuw het toneel is van geweld tussen de rebellen van generaal Nkunda en het Congolese leger, dwarrelen ineens herinneringen aan haar Vlaamse geboortedorpje Neerpelt haar hoofd binnen. Het beeld: bosbessen plukken, chocomousse als zondags dessert, een wekelijkse plons in De Dommel. Zeventien jaar geleden schreef ze het ook al, in Een kamer in Cairo: ‘Mijn vertrek uit het landschap van mijn jeugd heeft een wak geslagen in mijn leven dat ik sindsdien onverminderd bezig ben te dichten.’

(VPRO-Gids 47, 2008)

Bekijk: Uitzending 6: Ilja Leonard Pfeiffer en Kristien Hemmerechts.

‘En reken maar dat ik naakt op de cover ga. U bent gewaarschuwd’, schreef Ilja Leonard Pfeijffer een paar maanden geleden in zijn column in Nrc.next. Geen loos dreigement, zo blijkt, nu zijn verzamelbundel De man van vele manieren is verschenen en de schrijver in vol ornaat poseert op de achterflap. In zijn column reageerde Pfeiffer op het door Kristien Hemmerechts geschreven pamflet De man, zijn penis en het mes, een aanklacht tegen seksisme in de romans van mannelijke auteurs. Om haar betoog luister bij te zetten ging de schrijfster naakt op de foto met het pamflet voor haar buik. Als J.M. Coetzee in Disgrace een verkrachtingsscene schrijft verlangt Hemmerechts van de schrijver dat hij zich kritisch opstelt ten aanzien van de dader en verdiept in de psyche van de vrouw. Dat nu is aan Pfeiffer niet besteed. Het zijn romanpersonages, benadrukt hij, en bovendien: gedachten staan vrij. Pfeiffer is niet geïnteresseerd in echte of onechte gevoelens. Sterker, authenticiteit is hem een gruwel, aan autobiografie heeft hij een broertje dood. Hij verkiest een andere vorm van exhibitionisme, namelijk één waarbinnen hij kan epateren met het eeuwige spel tussen echt en nep. In Het Grote Baggerboek staat een vijf pagina’s lange vloekende tirade in de strikte vorm van een sonettenkrans, in Het Ware Leven doen figuranten uit romans van Mulish hun beklag over hun bijrol. Ingegeven door eenzelfde fascinatie met het spel tussen realiteit en fictie spelen in het werk van Kristien Hemmerechts authenticiteit en autobiografie juist een belangrijke rol. In het eerder dit jaar verschenen Ann tekent ze het waargebeurde verhaal op van een anorexia-patiënte met een incest-verleden, in haar dagboek Een jaar als (g)een ander verzucht ze bij het zien van haar gezicht op de achterflap: ‘Het gezicht dat ik ben geworden na twee dode kinderen, een echtscheiding en een weduwschap. Een gezicht dat ik met grote koppigheid en vastberadenheid voor mezelf lijk te hebben geboetseerd.’ En de portee van haar pamflet? Eigenlijk werd Hemmerechts op haar wenken bediend toen Pfeiffer als zijn vrouwelijke avatar Lilith afdaalde in de virtuele wereld van Second Life. Lilith is langbenig, kortgerokt, de borsten fier vooruit. In de virtuele wereld, waarin perfectie haalbaar is, ontmoet hij als Lilith een vrouw in een rolstoel. ‘Mijn eerste maand hier,’ zei ze, ‘heb ik wel benen gehad. Ik had de langste benen van heel Second Life,’ schrijft Pfeiffer. ‘Ik kon dansen en rennen, neuken en dansen. Ik kon dansen. Maar er klopte iets niet. Ik had het idee dat ik in Second Life niet mezelf was.’ ‘Maar je kunt zijn wie je wilt, Elke,’ zegt Pfeiffers avatar Lilith. Waarop de vrouw reageert: ‘Deze rolstoel is zoveel beter dan mijn echte rolstoel. Ik kan zelfs trappen op. Second Life is een hemel’.

(VPRO Gids 48, 2008)

Bekijk: Uitzending 7: Annejet van der Zijl en Joris van Parys.

Koud is het langverwachte boek Juliana en Bernhard van historicus Cees Fasseur op 11 november gepresenteerd of de kritiek barst in volle hevigheid los. Tijdens de presentatie krijgt de auteur van onder anderen Annejet van der Zijl het verwijt dat hij een te mannelijk perspectief heeft gekozen. Van der Zijl, die zelf al vier jaar ijverig werkt aan een biografie van Prins Bernhard, mist aandacht voor het gebrekkige emotionele evenwicht tussen de echtelieden. De schrijfster, eerder succesvol biografe van Annie M.G. Schmidt en auteur van de bestseller Sonny Boy, is gefascineerd door het verhaal achter de mythe. Zoals Annie M.G. Schmidt in het boek Anna niet de eendimensionale ‘reserve-koningin van Nederland’ is die we kenden, zo belooft ‘haar’ Prins Bernhard nobele held noch ploertige schurk te zijn.
Zo stelt Van der Zijl het zich graag voor: de biograaf die als een restaurateur oude laklagen van het doek haalt om zo de oorspronkelijke voorstelling zichtbaar te maken. Een beeldspraak die haar Vlaamse collega Joris van Parys moet aanspreken, want ook hij grossiert in het doorprikken van mythes. Door zich jarenlang intensief in andermans leven en werk verdiepen stuit ook Van Parys op de achterzijde van de ‘clichés, simplificaties en vooroordelen’, zoals hij ze noemt in het voorwoord van zijn boek Masereel. Anders dan de mythe wil blijkt de graficus Frans Masereel dan bijvoorbeeld helemaal geen kluizenaar met doorgesneden familiebanden. In de nalatenschap van Masereels broer vindt de biograaf zelfs een kleine tweehonderd openhartige brieven. Ook zoiets: als biograaf van de schrijver Cyriel Buysse ontdekt Van Parys dat de controverse tussen de vrijzinnige Buysse en zijn grootste Vlaamse rivaal, de katholieke Stijn Streuvels, kunstmatig in stand werd gehouden.
Jaren aaneen kennen Van der Zijl en Van Parys twee levens: dat van henzelf en dat van de mensen wier leven hoognodig gereconstrueerd en van mythes ontdaan moeten worden. Daarbij streven ze ernaar om biografieën als romans te schrijven, een ambitie die in Nederland en Vlaanderen geen rijke traditie kent. Het is zoals Willem Otterspeer (zelf biograaf van W.F. Hermans) vorig jaar opmerkte: Nederlandse biografieën smaken vaak naar ‘een hap zemelen’. In Anna wijt Van der Zijl dat aan het feit dat veel Nederlandse biografieën tegelijk dienstdoen als proefschrift, terwijl zij nu juist de voorkeur geeft aan de veel verhalender, Angelsaksische traditie. Zelf hoopt Van der Zijl volgend jaar als historica te promoveren op haar Bernhard-biografie, dus aan haar de taak om te laten zien dat ‘academisch’ en ‘verhalend’ elkaar niet uitsluiten. Intussen is Van Parys, ruim een jaar na het verschijnen van zijn vuistdikke biografie van Cyriel Buysse, nog altijd niet losgekomen van zijn onderwerp. Hij draagt bij aan vertalingen, een boek met beeldmateriaal, en heruitgaves van Buysses werk. Na tien jaar samenleven moet het moeilijk afscheid nemen zijn.

(VPRO Gids 49, 2008)

Bekijk: Uitzending 8: Arthur Japin en Erik Vlaminck.

Een dorp in Vlaanderen, 1908. Buiten klinkt tromgeroffel. Binnen zit, verscholen achter een doek in donker velours, de Siamese tweeling Joséphine en Anastasia. Als Anastasia zachtjes jammert, neemt haar zus Josépine haar kleine hand in de hare. ‘Dames en heren,’ klinkt het aan de andere kant van het gordijn, ‘het aaneengeklonken stel dat u zult aanschouwen is echt en waarachtig. Komt binnen, komt binnen…’ Als het doek valt, klinken kreten en gesmoorde gillen. Zes mensen staan Joséphine en Anastasia aan te gapen. Een scène uit Suikerspin, het pas verschenen boek waarin de Vlaamse schrijver Erik Vlaminck een aantal generaties kermisexploitanten portretteert. De Siamese tweeling is één van de attracties uit de kermiskraam met ‘fenomenen’, een rariteitenkabinet waarin ook de vrouw met de baard figureert. Vlaminck vond een aanleiding voor het boek in een oud krantenbericht over een Siamese tweeling op de kermis in Diest, waarvan de ene helft was overleden en niemand wist wat er nu met de andere, nog levende helft moest gebeuren. Na de zesdelige kroniek van zijn eigen familie, waaraan hij vijftien jaar werkte, lijkt Vlaminck met ‘Suikerspin’ zijn licht wat verder van huis op te steken, maar schijn bedriegt. De fascinatie met de kermis dateert al uit zijn kindertijd, toen d’n foor pal voor de deur van de Vlamincks werd gehouden. Arthur Japin, de Nederlandse collega met wie Vlaminck een voorkeur voor de 19e en vroeg-20e eeuw deelt, zoekt zijn onderwerpen doorgaans verder van huis. Ook hij belandde al eens bij het rariteitenkabinet. Het idee voor zijn boek De grote wereld ontleende hij aan een drietal gevonden briefkaarten uit het ‘dwergdorpje’ Marchenstadt Lilliput. In dezelfde periode waarin de Siamese tweeling het prijsnummer vormde van de kermis van Diest trokken speciale dwergdorpen als attractie door Europa. Voor Vlaminck en Japin is de researchfase van immens belang. Om een beeld te geven: als Vlaminck in de bioscoop een nummerplaat op een auto ziet die niet correspondeert met het tijdvak, verlaat hij verontwaardigd de zaal. In zijn boeken voert Vlaminck altijd zichzelf ten tonele, al is het als “Schrijvermans”, zoals in Suikerspin. Bij de gewezen acteur Japin ligt dat anders. Als er een literaire variant bestaat op method acting, dan bedrijft Japin die. Al die buitenstaanders, al die beschadigde mensen – de lilliputters in De grote wereld, de door pokken getekende prostituée Lucia in Een schitterend gebrek, het ontheemde Ghanese prinsje Kwasi in De zwarte met het witte hart, de oude pioniersvrouw Granny Parker in De overgave – als hij maar diep genoeg zoekt weet Japin al schrijvende de emoties van zijn protagonisten wel aan de oppervlakte te brengen. Als dat beginpunt er maar eenmaal is. Een briefkaart uit Lilliput, een vergeeld krantenbericht, het beeld van een Comanche-indiaan in een Texaans dorpje. Eén vertrekpunt, en het proces kan beginnen.

(VPRO Gids 50, 2008)