De redactie spreekt met: Manon Uphoff
Zo glad is de opgevroren sneeuw op de Utrechtse stoepen, dat Manon Uphoff zich zelfs vast probeert te houden aan de staarten van honden die toevallig voorbij lopen. We hebben afgesproken in een Utrechts etablissement, op steenworp van De Dom om te praten over haar nieuwe roman De spelers. Het boek speelt zich grotendeels af tegen het decor van het verwoeste voormalig Joegoslavië. De ik-figuur Manja, die taallessen geeft aan allochtonen, wordt verliefd op de Bosnische vluchteling J. die gedeserteerd is uit het Joegoslavische leger. De liefde is stormachtig, er wordt gecopuleerd dat het een aard heeft, maar het schuldbesef van de man - die zijn familie ginds heeft achtergelaten - staat hun geluk in de weg. Dus keren ze samen terug naar de nasmeulende oorlogsregio, waar de achterblijvers getekend zijn door kwetsuren en ontgoocheling. Zoals J.’s zwager Spiro, die het tegenbeeld is van J.: hij heeft wèl gevochten, is er voor zijn familie gebleven, maar is in alles een afstotelijke man. Manja, die zich voorgenomen heeft op afstand te blijven, wordt tegen wil en dank de nasleep van de oorlog ingezogen. Een verhaal gebaseerd op de ervaringen van de schrijfster zelf. Tenminste, dat dacht ik.
door Maarten Slagboom
‘Mijn leven, dat leef ik, daar zit ik niet voor in de werkkamer. Ik kan er niet genoeg op hameren: schrijvers maken geen boeken om hun leven te delen met jan en alleman. Mijn persoonlijke omstandigheden deel ik niet met zestien miljoen Nederlanders. Ik heb altijd het gevoel gehad dat ik mijn eigen onderzoeksobject ben. Dingen in m’n leven die er toe doen geef ik vervormd, gewrongen weer in mij werk. Het is een eeuwigdurend gevecht tussen de schrijver en media. Media willen echtheid, terwijl schrijven zo’n wezenlijk kunstmatig proces is. Als je het goed doet vergeet de lezer dat tijdens het lezen, maar je Lees verder »
De redactie spreekt met: F. Starik
In het boek De Gastspeler van F. Starik gebeurt hoegenaamd niets. Goed, de ik-figuur struint de straten in zijn Amsterdamse buurt af, hij bezoekt de bakker en de supermarkt en groet zijn buren in het trappenhuis. Maar sinds het snoertje tussen kabeldoos en televisie is aangesloten, hoeft hij er ook al niet meer uit voor de videotheek. Op de bank vergaapt hij zich aan de deelnemers van het reality-programma De Gouden Kooi. Geen detail ontgaat hem. Alles om hem heen, hoe schijnbaar onbeduidend ook, lijkt voor hem even belangrijk, maar wezenlijk contact heeft hij niet. Stariks gastspeler, de bijna naamloze F., is ‘iemand die die niet werkelijk deelneemt, omdat hij geen deel van het team uitmaakt, iemand die, meer nog dan anderen, voorbijgaat’. Daarmee past hij naadloos in het oeuvre van Starik, dat gedomineerd wordt door poëzie en waarvoor hij eerder dit jaar de Amsterdamse Prijs voor de Kunst ontving. Een bedrag van 35.000 euro voor een oeuvre dat volgens de jury onder meer ‘de schoonheid van de mislukking’ toont. Het bedrag heeft hij veilig weggezet op een spaarrrekening tegen twee procent rente. Het hele bedrag? Nou ja, een mooi lederen zadel voor zijn fiets, dat is de enige besteding die hij al gedaan heeft van het geld, vertelt F. Starik in een Jordanees café, waar hij de oorsprong van zijn werk toelicht.
door Maarten Slagboom
‘De Gastpeler’ kent vertrouwde thema’s maar het is je eerste roman in 16 jaar. Waarom moest dit een roman worden?
‘Voor een artikel in een krant had ik een stuk geschreven over mijn buurman, een wijnhandelaar die boven me woonde. Fascinerende kerel. Een fantast, die boordevol bizarre verhalen zat. Ik mocht duizend woorden schrijven, maar dat stuk telde al snel drieduizend woorden, en daarna kreeg ik helemáál de smaak te pakken. Ik wilde ook de rest van het huis beschrijven, het hele trappenhuis door. Sterker, ik wilde een rondje door de hele buurt maken. Het breidde zich steeds verder uit. Eigenlijk het omgekeerde proces als bij gedicht. Uiteindelijk verdween juist die ene bovenbuurman met zijn eindeloze stroom verhalen uit beeld. Omdat mijn hoofdpersonage, de bijna naamloze F. die oorspronkelijk ‘ik’ was, steeds eenzelviger werd, alleniger, steeds verder verwijderd raakte van de wereld. Hij werd steeds magerder en maller, ook.’ Lees verder »
De redactie spreekt met: Fleur Bourgonje
In haar roman Verdwijnpunt schrijft Fleur Bourgonje over drie verdwijningen: de verdwijning van een vriendin in het Argentinië ten tijde van de junta, de verdwijning van een Nederlandse vrouw die haar huwelijk ontvlucht en de verdwijning van een echtgenote in de sneeuwmassa van de Pyreneeën. De talloze verdwijningen van mensen ten tijde van het militaire schrikbewind in Argentinië zijn weer actueel sinds de recente arrestatie van de Argentijnse-Nederlandse piloot Julio P. Hij is een van de piloten die er van worden verdacht de zogenoemde ‘dodenvluchten’ te hebben uitgevoerd, waarbij politieke tegenstanders levend boven zee uit vliegtuigen werden gegooid. Een van de indrukwekkendste delen van de fragmentarische, beeldrijke roman van Bourgonje - zelf indertijd woonachtig in Buenos Aires - is de weerslag van een gedetailleerd gesprek over die dodenvluchten met een veroordeelde ex-marineofficier. Met Verdwijnpunt, verschenen in één buikbandje met de dichtbundel Hartenbeest, neemt Fleur Bourgonje afscheid. In meerdere opzichten, vertelt ze aan tafel in haar Amsterdamse woning.
door Maarten Slagboom
Was er een directe aanleiding voor dit boek?
‘Toen ik voor een Vrij Nederland-reportage door Zuid Afrika reisde, stuitte ik op bijzondere rotstekeningen. Rotstekeningen waarop steeds hetzelfde dier wordt afgebeeld. Een hartenbeest, een soort antilope. Het intrigeerde me. Die antilope, zo wil het verhaal, is vanwege z’n snelheid in staat door toedoen van een in trance geraakte sjamaan het contact tussen de levenden en de doden tot stand te brengen. Hij is als het ware een boodschapper van woorden tussen die twee werelden. Vervolgens ben ik naar de Pyreneeën gegaan, om in die veredelde schaapskooi waarover ik ook in m’n boek schrijf, te werken aan een nieuwe gedichtencyclus. De taal als antilope. De antilope als boodschapper tussen levenden en doden. Ik werd in die schaapskooi echt besprongen door herinneringen aan verdwenen personen. Ik raakte eigenlijk zelf in trance.’
De redactie spreekt met: Thomas Verbogt
‘Er zijn van die momenten van vroeger die zich anders gedragen dan herinneringen. Ze gaan niet voorbij, ze groeien met je op en worden met je ouder. Soms kijk je ernaar, het kind dat je was en de man die je werd, samen kijk je’. Het zijn de openingszinnen van de nieuwe roman van Thomas Verbogt. Hij laat in het mijmerende, melancholieke Verdwenen tijd zijn ik-figuur tot inzichten komen. Robert van Norden wordt geplaagd door het besef dat hij tot op grote hoogte in een schijnwereld leeft en hij voelt zich voortdurend schuldig. Er is iets verschrikkelijks voorgevallen, maar hij weet niet meer wat. De herinnering die hij zoekt wil maar niet boven komen drijven, terwijl andere momenten van weleer, van lang voorbije gelukzalige zomers, zich juist onontkoombaar opdringen. Gezeten aan de tafel in zijn Amsterdamse woning steekt de schrijver direct van wal.
door Maarten Slagboom
‘De basis van een nieuw boek is altijd een vraag. Voor m’n nieuwe boek heb ik me laten inspireren door de rubriek Zelfportret in HP/De Tijd, waarin onder meer altijd de vraag wordt gesteld: hoe moedig bent u? Als ik eenmaal zo’n vraag heb breidt het zich als het ware vanzelf uit. Uit die vraag vloeien gebeurtenissen voort, personages. Soms loop ik er wel een half jaar mee rond voor ik begin te schrijven. Om het pathetisch te zeggen: het moet indalen voordat ik het punt hebt bereik waarop ik tegen mensen zeg: wat ik nù toch heb meegemaakt…’ Lees verder »
De redactie spreekt met: Bas van Putten

‘Wat spijt het me, dat je alweer over mijn Nachtlied zwijgt. Het voelt als afkeuring. Besef je wat een bemoedigend woord van een geliefde voor me zou betekenen?’ schrijft componist Richard in het Wenen van 1839 aan de pianiste Agnes over de ode die haar voor haar schreef en die hij beschouwt als zijn beste stuk. Ze blijft maar zwijgen, tot hij het haar enige tijd later recht op de vrouw af vraagt. Wat blijkt? Niet alleen is zijn geliefde niet gecharmeerd van het stuk, ze vindt het zelfs ‘een afschuwelijke gedachte dat mijn geliefde zoiets maakt’. De toch al moeizame liefdesband van het paar, door schrijver Bas van Putten in zijn boek Nachtlied vrijelijk gebaseerd op de lotgevallen van componist Robert Schumann en pianiste Clara Wieck, mondt uit in een innerlijke worsteling. De liefde en de kunst verdragen elkaar uiteindelijk niet, een van tweeën moet het onderspit delven.
Het huwelijk tussen Robert Schumann en Clara Wieck is een huwelijk dat niet had moeten zijn, legt schrijver en musicoloog Bas van Putten uit aan de tafel in zijn woonkamer in het Drentse Norg, waar ook de Steinway pronkt waarop hij vrijwel dagelijks speelt.
door Maarten Slagboom
Waarom een boek over Robert Schumann en Clara Wieck?
‘Ik wilde al lang over dat huwelijk schrijven. Toen ik de ongecensureerde correspondentie tussen Clara Wieck en Robert Schumann las was ik onthutst. Ten eerste bleek hun beider antisemitisme erger dan ik dacht. Ten tweede, belangrijker nog voor mij, zie je een huwelijk in de knop dat nooit had moeten zijn. Ik las ook Schumanns brieven en dagboeken: vooral zijn vroege teksten getuigen van een ongelooflijke stilistische brille. Later, als hij zuipt als een ketter en verzuipt in de zorgen, vervlakt zijn toon, maar ik ben er van overtuigd dat Schumann ook een groot schrijver had kunnen worden. Hij was op zijn beurt - net als ik - geïnspireerd door de schrijver Jean Paul Richter. Dat ruimhartige, explosieve, de weelderige, exuberante stijl die voor elke nuance de juiste woorden zoekt - ik vond het een openbaring. Het is precies die exactheid van voelen en denken die taal tot literatuur maakt. Het begin van Nachtlied is een hommage aan die overvloed, een stijlpastiche. Vooral het eerste hoofdstuk is bewust geschreven in een vroeg-romantische Duitse stijl. Het is: geregisseerd leeglopen. In mijn boek moduleert de stijl sowieso voortdurend. De taal volgt de zielsbewegingen. In de dagboeken van Schumann zie je dat ook. Hij is heel bloemrijk en intens tot de crisis met Clara, direct voorafgaand aan het huwelijk. Als het te pijnlijk wordt vlucht hij in een soort nietszeggende telegramstijl. Je ziet z’n bloemrijkheid verschrompelen, z’n stijl vervlakken. Aan zijn desastreuze maanden in Wenen wijdt hij hooguit twaalf pagina’s! Dan is het dus te erg voor woorden. Wenen was een slag in zijn gezicht. De glamour, de hooghartigheid, een voor hem onbegrijpelijk gemak van leven. De eenzaamheid van de wandelingen die hij door Wenen maakte… Ik ben er geweest om te begrijpen hoe dat voor hem was. Als zo’n oud kwartier in die stad - sowieso een lege, kille stad, dat Wenen - ’s avonds leegloopt, is het er zó eenzaam. De etiquette daar maakt alles kapot, net als de etiquette die het huwelijk tussen Schumann en Clara Wieck verwoestte; dat doen alsof je voor elkaar bestemd bent, het is killing. Het maakt je tot leugenaar. Ook Schumann. Hij liegt tegen haar, hij voelt het, en de leugens - al dan niet om bestwil - vergiftigen zijn woorden. Hij weet ook vaak blijkbaar niet goed hoe hij haar moet aanspreken: op de toon van volwassenen onder elkaar, of met Candlelight. De stijl moest die curven volgen.’ Lees verder »
De redactie spreekt met: Elvis Peeters

door Stijn van der Stockt
Een van de meest prangende vragen waar je na lectuur van het magistrale ‘Wij’ blijft zitten, is de totale afwezigheid van een moreel oordeel. De meisjes prostitueren zich, de jongens worden kleine pooiers, maar nergens wordt dat veroordeeld of geduid. Een factor die daar zeker toe bijdraagt is de nuchtere stijl waarin alles geschreven wordt.
‘Wij is inderdaad heel nuchter, maar ik vond dat het verhaal dat nodig had. De ontwikkelingen worden ook beschreven vanuit de personages, en die winden er nu eenmaal geen doekjes om. Voor hen is seks gewoon een bron van inkomsten. Het is zelfs plezierig, maar het is en blijft een machine die ze aan het draaien zetten. Over zo’n machine kan je nu eenmaal moeilijk lyrisch worden. Dat is heel anders dan in het boek van Hafid (Spotvogel, red.), waarin de liefde toch meer gekenmerkt wordt door verlangen. In Wij hoeven ze niet te verlangen, want ze kunnen het onmiddellijk bevredigen.’
Heeft u lang gezocht naar die stijl?
‘Dat kwam eigenlijk vanzelf. Het verhaal is ontstaan op vakantie toen we onder een brug reden, zoals beschreven in het boek, maar dan zonder ongevallen. Terug van vakantie zagen we een programma op televisie over de rechtspersoonlijkheid van bedrijven. Bedrijven zijn juridisch gelijkwaardig met levende personen. In dat programma werden bedrijven dan ook onderzocht zoals gewone mensen worden onderzocht, psychologisch, sociaal, sociologisch enz. Daaruit bleek dat bedrijven stuk voor stuk als psychopaten handelden. Met die twee uitgangspunten hebben we het boek geschreven. En om dat gegeven te stofferen, moesten we gewoon maar de kranten lezen.’
Was het van in het begin duidelijk hoe het verhaal moest evolueren of is het gaandeweg tot stand gekomen?
‘ Het is voor een stuk gaandeweg tot stand gekomen. We hebben de structuur bijvoorbeeld helemaal omgegooid, het is niet helemaal chronologisch opgebouwd. De scène met de wesp is een goed voorbeeld: die werkt beter, literair en mentaal, als die helemaal naar voor werd geschoven.’
Waarom?
‘Als je als lezer eerst de seksspelletjes zou krijgen, dan de dood van Femke, en dan de loverboy-achtige manier waarop Loesje bij het kliekje gaat horen, dan zou je er niet zo bij stil blijven staan. Nu komt het harder aan, en dat is ook de bedoeling. We hebben een literair boek geschreven, geen schandaalroman. De taal is mooi, en het idee van de scène met de wesp was om te laten zien hoe zo’n idee ontstaat, heel spontaan, zonder dat het uitgesproken hoeft te worden. Gewoon aan de hand van de wesp die in verschillende biotopen terecht komt: bier, limonade, chocolade-ijs… de wesp blijft plakken, en ook het idee blijft vastklitten. Op den duur komen ze vrij koel – ze gaan eerst zelfs nog om zalf, ze weten al wat er gaat gebeuren – bij het idee om die wesp tegen de clitoris van Loesje te houden, gewoon om kijken wat voor effect dat zou geven. We hebben heel veel reacties van lezers gekregen en van recensenten, dat ze na het lezen verdwaasd achterblijven, het boek laat hun niet los. En dat mag ook wel. Literatuur mag ontspannen, maar mag ook verontrusten.’
Dat kan je wel zeggen. Eén recensie gewaagde zelfs van ‘ranzige porno’.
‘Ik vind dat niet. Als dit boek porno is, zijn de beurscijfers ook porno. Ik denk dat porno in grote mate met clichés werkt. En ik vind dat we in onze roman de clichés echt hebben uitgekleed. Het is een sec boek. Het werkt niet lustopwekkend.’ Lees verder »
De redactie spreekt met: Hafid Bouazza
De ik-figuur in het boek Spotvogel van Hafid Bouazza - een schrijver genaamd Hafid - heeft een loodzware tijd achter de rug en wordt door zijn moeder naar Marokko gestuurd om er tot rust te komen. Hij wordt geteisterd door wroeging, waarin echo’s van lichamelijk geweld klinken, en waartegen geen antidepressivum of roesmiddel is opgewassen. Ver weg van huis zoekt hij rust en verlossing. En vindt hij, zoals dat in de lyrische taal van Bouazza heet, ‘woorden waaronder gedachten schuilen en niet enkel de wind die mijn geest zo lang heeft doorblazen’.
Met Spotvogel is Hafid Bouazza na een stilte van zes jaar teruggekeerd aan het literaire front. Vorige maand verscheen ook zijn briefwisseling met zijn vriend Gerrit Komrij - eerder verschenen in NRC - in boekvorm onder de titel Nu ben ik boos, ik omhels je. In het boek schrijft Bouazza onder meer over zijn absintverslaving. ‘Dat gedweep met opium en absint zou op minder goedwillende beschouwers ook wel eens als koketterie kunnen overkomen, vind je niet?,’ bijt Komrij hem vervolgens toe. ‘Het is je onwil om ertegenaan te gaan, anders niet. Schaam je om bij die twee flessen en die dertig grammetjes neer te zitten, als een kind bij zijn bord Brinta’. Maar het gaat in de briefwisseling ook over zulke uiteenlopende onderwerpen als de islam, Wendy van Dijk, auto’s , poëzie en De Havenzangers.
We spreken af in zijn stamcafe De Zwart aan het Amsterdamse Spui, ‘het café aan het eind van het alfabet’ zoals Menno Wigman eens dichtte, waar een goedgeluimde Hafid Bouazza voortdurend bekenden ziet.
door Maarten Slagboom
Je schetst Marokko in ’Spotvogel’ als een soort zintuiglijk paradijs.
‘Ja absoluut, maar niet eens zozeer omdat het Marokko is. Veel mensen vroegen me of ik terug was geweest naar Marokko voordat ik het boek schreef. Ik ben er al heel lang niet meer geweest, de laatste keer was tien jaar geleden, voor de VPRO-televisie. Vooral dat Noorden, waar de ik-figuur dat echtpaar ontmoet, dat heeft inderdaad iets paradijselijks. Omdat de ik-figuur in het boek in zekere zin van totale ellende tot in het paradijs moet zien te geraken. Het is er vooral zo paradijselijk omdat ik het me zo herinner. Als kind ervoer ik het er zo.’
Het had zich ook ergens anders kunnen afspelen?
‘Misschien in Portugal. Maar dan was het wel heel anders geworden. Ik ken Portugal vrij goed, ben er veel geweest, maar ik heb het me nooit zo eigen gemaakt als Marokko. Marokko is vertrouwd. Niet in de zin van: daar liggen mijn roots, zoals anderen vaak graag benadrukken want dan krijgt het iets…, maar ik heb daar mijn blik gevormd, mijn eerste zintuiglijke ervaringen waren natuurlijk daar. Vervolgens ben ik er ook weer mee aan de haal gegaan hoor. Ik schrijf over bloemen die daar helemaal niet bloeien, er zitten allemaal toespelingen in uit de Griekse mythologie. Ik hou er van de boel door elkaar te husselen. Ik heb trouwens, dat moet ik er wel bijzeggen, nog wel gebruik gemaakt van foto’s die mijn broer in die omgeving heeft gemaakt. Maar Marokko als zintuiglijk paradijs… het geheugen maakt alles zo mooi’.
Dat zintuiglijke neemt soms extreme vormen aan. Een vrouw komt binnen en je ruikt - onder heel veel meer - de geur van geplette klaprozen.
’Ja, dat ruik ik soms, de geur van zo’n klaproos die je zo met je handen laat klappen. Het ruikt net als het poeder dat van de vleugels van een vlinder komt, als je een vlinder aanraakt. Bitter, maar niet zoet.’
Jij ruikt dat bij sommige mensen.
‘Ja, vooral bij vrouwen (lacht). Het is nu eenmaal hoe ik de wereld ervaar. Die vrouw in het boek, kom, hoe heet ze…’
Sephia.
‘Sephia, ja - het is al weer even geleden dat ik het las - is gebaseerd op hoe ik me jonge meisjes in Marokko herinner. Dat zwarte haar, die geur inderdaad… Als je je er eenmaal bewust van wordt, van zo’n geur, wordt ie alleen maar scherper’.
Is dat een antenne die je uitklapt of heb je dat voortdurend?
‘Voortdurend, maar ik merk dat het veel moeilijker is als het gaat om mijn omgeving hier. Ik werk nu aan een roman die zich hier in Amsterdam afspeelt en dat is veel moeilijker voor me. De geuren… Om die te ruiken alsof je voor het eerst deze stad bezoekt. Het is niet makkelijk om me een verbaasde, verwonderde blik door Amsterdam te lopen nu alles hier zo vertrouwd is’.
Hoe train je je daar in?
‘Het kost tijd. Ik zou ook lsd kunnen nemen, maar dat doe ik niet. Ik wil het trouwens niet over drugs hebben.’
Waarom niet?
‘Ik heb er zo veel over gezegd en geschreven. Het is veel te veel mijn stokpaardje geworden.’
Hoe ruikt Amsterdam?
‘Even vaak lekker als dat ze stinkt. Ik wil eigenlijk dat mijn romans hetzelfde effect hebben als die kinderboekjes, waaruit als je ze opent een kartonnen illustratie opstijgt’.
Pop-up-boekjes.
‘Ja, precies. Goed proza moet voor mij zijn zoals die pop-ups’.
Wat wilde je nu eigenlijk precies zeggen met die Arabische verbasteringen in Spotvogel van Gorkum en de Merwede?
‘Ik vond het leuk om ook daar mensen op het verkeerde been te zetten. Denken ze de hele tijd dat het zich in Marokko afspeelt, blijkt het gewoon Nederland te zijn’.
Maar het krijgt ook een lading, doordat in dat land de moskeeën als paddestoelen uit de grond schieten. Alsof de pest uitbreekt.
‘Ja ja, in Paravion zit dat trouwens ook hè, daarin schrijf ik over minaretten als opgestoken middelvingers. Er broeit natuurlijk iets, al heel lang, vanaf de jaren tachtig. Iets dat veel te lang onder het tapijt is geveegd. Ik hou m’n opinie over de islam graag gescheiden van m’n boeken, maar het is zó’n maatschappelijk fenomeen, daar kun ik nauwelijks over zwijgen’.
Toch is dat precies wat je jarenlang hebt gedaan: zwijgen.
‘Ik had het gevoel dat ik alles wel gezegd had, dat mijn standpunt, mijn positie ten opzichte van de islam wel duidelijk was. Ik kan toch niet elke maand weer een opiniestuk in de krant schrijven waarin ik hetzelfde verwoord? Het ging zelfs zo ver dat mensen als Joost Zwagerman suggereerden dat ik bedreigd werd, en dat ik me daarom niet meer in het discours mengde. Helemaal niet waar, ik hield me bewust op de achtergrond, was met heel andere dingen bezig. Maar ik ben nu weer op een punt beland dat ik wel weer over de islam wil schrijven’.
Waarom nu wel? Wat is er veranderd?
‘Het is nu nòg globaler, we hebben de Deense cartoonrellen gehad, bovendien is de oppositie in Nederland nu veel groter, met Wilders. Wat niet veranderd is: de morele superioriteit die links denkt te hebben. Ben je voor Wilders, dan deug je niet. Ben je tegen Wilders, dan deug je. Onzin natuurlijk. Ik heb mij ook kapot geërgerd aan Tariq Ramadan en zijn adepten die stellen dat de opkomst van de islam te maken heeft met het moreel verval waar Europa in verkeert. Dan denk ik: moreel verval, hoezó? Komen ze met de opmerking dat ‘wij moslims’ onze ouders niet in bejaardentehuizen stoppen. O ja, waarom hebben we dan intussen vier islamitische bejaardenhuizen in Nederland?’
Intussen is Jan van Aken, schrijver van historische romans, aangeschoven aan het tafeltje in De Zwart. ‘Zo’n pamflet schrijven, net als Zwagerman over het failliet van links, dat zou jij moeten doen over de islam,’ zegt hij tegen Hafid.
‘Ja, misschien wel. Misschien doe ik dat wel. Maar ik ben ook met m’n nieuwe roman bezig hè’.
Ander belangrijk onderwerp in ‘Spotvogel’, in het zintuiglijke paradijs, is seks.
‘Nou, die man heeft helemaal geen seks hoor. Hij ontmoet Sephina, dat maakt veel erotiek in ‘m los omdat ze hem aan Marfisa doet denken. Maar daar gaat het boek natuurlijk helemaal niet over’.
Je schrijft ergens in het boek, in het Marokkaanse deel, over ’seks als een vorm van voeding’.
‘Ja, als culturele uiting zijn er grote verschillen (lacht), seks wordt in de Arabische wereld toch ook meer als een biologisch fenomeen gezien, maar daar wilde ik het niet zozeer over hebben in dit boek. Dat is eerder iets dat ik wil laten zien met mijn vertalingen van Arabische liefdespoëzie.’
Hij steekt een sigaret op, en vraagt: ‘ Heb je The Original of Laura van Nabokov al gelezen?’
Nee, nog niet. Het is pas gisteren verschenen toch?
‘Nabokovs The Original of Laura, dàt is een uitgesproken seksueel boek. Man! Bijna nog meer dan Lolita. Wat natuurlijk ook zou kunnen is dat hij op die 138 steekkaarten z’n expliciete seksscenes schreef en dat de rest daarna pas zou volgen. Dat hij altijd zo werkte (lacht). Ik heb het in het Engels gelezen en heb nu net de Nederlandse vertaling gekocht. Ik ben lid van het Nabokov Forum en er het regent mails. Eén van de Amerikaanse recensies sprak van a glorious mess, en dat is precies wat het is. Het is een verzameling steekkaarten waarop hij aantekeningen maakte voor de roman waaraan hij werkte toen hij stierf. Zijn zoon heeft nu, 32 jaar na zijn dood, besloten die aantekeningen alsnog in boekvorm uit te brengen. Wist je dat die steekkaarten binnenkort geveild worden voor bedragen tussen de 400.000 en 600.000 dollar? Ik ben er behoorlijk opgetogen over. Ik heb net m’n stuk over het boek afgerond voor de NRC van vrijdag. Vrijdag kan iedereen lezen wat ik er van vind’.
Nabokov blijft ook na lezing van dit boek je grote literaire held?
‘Hij is zo’n grote invloed geweest, misschien wel een tè grote invloed. Ik heb lang moeten uitkijken dat er niet tè veel invloeden van hem doorsijpelden in mijn boeken. Pas na m’n 30e is het me gelukt een beetje van hem los te komen. Ilja Pfeiffer heeft dat ook. In zijn boek Rupert staan ook hele stukken Nabokov. Ilja zegt: als het schrijven even niet lukt, lees ik een paar pagina’s Nabokov en dan kan ik er weer even tegenaan. Dat geldt voor mij ook.’
De redactie spreekt met: Thomas Rosenboom
door Maarten Slagboom
Ik heb op veel verschillende plekken over de ontstaansgeschiedenis van ‘Zoete mond’ gelezen, hoe je konijn het vertrekpunt vormde, maar ik las nergens over de keuze voor de jaren zestig. Waarom speelt het zich af in die tijd?
‘Eigenlijk maakt dat niet zo veel uit, het verhaal had zich ook in een andere periode kunnen afspelen. Toen ik begon te werken aan het boek herinnerde ik mij een documentaire over die dolfijn die door de Rijn zwom. Ik dacht meteen: dat is een mooi culminatiepunt voor die dierenliefde in dat dorpje. Dat bleek te zijn geweest in 1966′.
Is het echt zo toevallig? Als die dolfijn vorig jaar hier had rondgezommen, dan speelde het boek in 2008?
‘Nee, deze tijd zou niet kunnen. Er spelen nu zo veel belangrijke dingen die je niet kunt weglaten, de wereld is zo veel groter en opener geworden. Dat had inderdaad niet gekund. Het was belangrijk dat de mensen in het boek weinig hadden om over te praten’.
1966 als scharnierpunt, de voorbode van de Nieuwe Tijd, is dat nog van belang?
‘Neuh, de keuze voor het tijdperk is zuiver ingegeven door het verhaal. Ik heb beslist geen ambitie gehad om die jaren zestig op te roepen. Sterker, ik heb me bewust gematigd in het noemen van de muzikanten of levensmiddelen uit die tijd. Dat Publieke werken zich in de negentiende eeuw afspeelt is omdat het verhaalgegeven dat behoeft. Het was nooit mijn vooropgezette bedoeling om over Amsterdam in de negentiende eeuw te schrijven. Zo is het met Zoete mond ook. Dat jaartal van 1966 kwam goed uit. Ik had het geluk dat precies in die jaren de televisie belangrijk wordt. Voor Jan de Loper wordt het steeds moeilijker om zich in het centrum van de belangstelling te plaatsen. Hij heeft te duchten van de televisie, maar het paradoxale is dat hij dolgraag op tv zou willen komen’.
Ik dacht nu juist: het kan geen toeval zijn dat de schrijver van het pamflet ‘Denkend aan Holland’ zijn roman situeert in een overzichtelijk klein dorpje, met veel gemeenschapszin, aan de vooravond van de nieuwe tijd.
‘Ik begrijp dat je dat denkt, maar die sociologische belangstelling, die ik natuurlijk wel degelijk heb, die hoort niet thuis in mijn boek. Als ik dat in mijn boek zou laten blijken… Dat doet afbreuk aan je kunstwerk. Meningen en opvattingen horen niet thuis in de literatuur. Maatschappijkritiek… Voor mij is het binnen de literatuur uit den boze’. Lees verder »
