De redactie spreekt met: Andy Fierens
Andy Fierens schuimt als rasechte bohémien al jaren het dag- maar vooral het nachtleven af. Hij staat al anderhalf decennium op de planken en is in die tijd uitgegroeid tot een geliefd podiumdichter en volbloed entertainer. Daar moest dus ooit een bundel van komen: Grote Smerige Vlinder wordt bevolkt door echte Zeitgeistjunkies en hangt aaneen van de hilarische oneliners. Een gesprek met de man die van zichzelf vindt dat hij ‘statistisch gezien ok is’.
door Stijn van der Stockt
Je draagt je bundel op aan je kinderen en je vader.
‘Dat klopt. Mijn kinderen zijn nog heel klein, één en vijf, en mijn vader is net gestorven terwijl ik het boek aan het schrijven was. Dat waren gewoon de mensen waarmee ik het meest in mijn hoofd zat. Maar verder heeft het geen inhoudelijke weerslag op mijn bundel gehad.’
Echt niet? Mij lijkt het wel boeiend, zo’n kleine hebben rondlopen die de taal aan het ontdekken is.
‘Wel, ik ben een soort van strandjutter. Alles wat ik hoor, alles wat ik zie of lees, wat mij overkomt, is potentieel materiaal. Dus het is best mogelijk dat mijn kinderen me af en toe injecteren met een leuk zinnetje, en dat ik dat dan oppik. Gewoon omdat het werkt. Maar ik schrijf zeker niet autobiografisch. Deze zomer zei mijn zoontje bijvoorbeeld: “papa, ik heb het zweetheet.” Ik vond dat geweldig. Maar als ik schrijf: “ik wou dat je een zeehond was, dan kon ik op je knuppelen, dan gaat dat niet over mijn vrouw. (lacht)’
Goed, je schrijft niet autobiografisch. Maar wie is dan de Andy in je eerste gedicht: ‘no panic on the titanic, Andy to the rescue’?
‘Je kan die Andy’s beschouwen als een personage, maar interpretatie staat vrij. Zo heb ik mijn moeder nooit betrapt met Robin Hood in bed, zoals dat gedicht ook ergens suggereert (lacht). Slechts één regel is autobiografisch: “ik durfde mijn kind niet te vertellen dat mijn vader was gestorven.” Het verwijst naar de dood van mijn vader… maar toch ook weer niet. Ik koppel dat emotioneel helemaal los. Dit gedicht gaat vooral over mensen die ontheemd zijn, die op zoek zijn, en dat zijn al die beelden, al die Andy’s. Op het einde zeg ik ook dat ik hopelijk nog iemand vind waar ik me ooit thuis zal voelen.’
En die persoon ‘mag op je gezicht komen zitten’, volgt daarna. Wil je altijd het laatste woord hebben met een grapje?
(bulderlach) ‘Dat komt uit een interview met een pornoster. Kijk, ik ben in gedichten nooit op zoek naar ontroering, het mag wel een beetje grappig zijn, het mag schoppen tegen, het mag kwajongensachtig zijn. We hebben al genoeg Herman de Conincks (lacht). Het gaat me toch eerst en vooral om de sfeer. Heel de bundel is bevolkt met antihelden. Mensen van nu, die zich op een of andere manier alleen door de individualistische maatschappij moeten zien te slaan. Dus ja, ze zetten zich daar een beetje tegen af, ze voelen zich slecht en ze klagen en praten in oneliners die ik zelf tekstbites noem: hard naar buiten, maar toch ook grappig. Zodat ze, door de humor, ook sympathie opwekken.’
Zich lachend door het leven schrijven, is het dat wat je doet?
‘Kijk, ik ben begonnen met schrijven om twee redenen: ik wilde een leven vol lol en avontuur. Dat is eigenlijk één reden (lacht). Lol en avontuur beleef je tijdens het schrijven, maar zeker ook op het podium. Literatuur is waarschijnlijk een van de laatste gebieden waar totale vrijheid heerst. Het geeft een enorme kick om op het podium staan en je gedichten rechtstreeks voor de mensen te kunnen brengen, om in een soort van dialoog te treden. Een andere reden is misschien dat ik voor ik sterf alle mensen ontmoet wil hebben die op deze wereldbol rondlopen, en poëzie leek me daarvoor een geschikt middel. Want ondanks al hun gebreken zie ik de mensen ook wel graag. Ik vind het geweldig om altijd nieuwe mensen tegen te komen, nieuwe verhalen te aanhoren, nieuwe avonturen te beleven.’
Maakt humor een wezenlijk onderdeel uit van een leven vol lol en avontuur?
‘Waar het op neerkomt is dat je mijn gedichten allemaal zo letterlijk niet moet lezen. Humor is on-waar-schijn-lijk belangrijk voor mij, het is de beste manier om te vechten tegen de angst. En je moét vechten tegen de angst, want angst bevriest je en doet je stokken. Om gelukkig te zijn moet je voortdurend je best doen. Het middel bij uitstek is om er eens goed mee te lachen. Er zijn zoveel dingen die foutlopen, op persoonlijk vlak, maar evengoed in de wijde wereld, dat de beste manier om daar mijn ongenoegen over te laten blijken, de humor is. Dat is voor mij echt het hoogste goed.’
Goed, humor is belangrijk. Maar waar komt je inspiratie vandaan?
‘Mijn methode is: poëzie volgens de chaostheorie. Er zijn geen welomlijnde regels, er is geen structuur. Het kan elke dag anders. Er zijn periodes dat ik denk: “ok, ik ga opstaan rond een uur of zeven en ik ga beginnen werken.” Maar meestal werkt het niet op die manier. Soms lees ik iets, schrijf ik dat op, en is dat een vertrekpunt. Soms hoor ik ergens iets, soms zet ik me ergens neer en begin ik effectief te schrijven. Alles kan. Het is nooit zo dat ik zeg: “het moet zo en niet anders”, want dat is net een deel van het avontuur.’
Is het daarom ook dat je je gedichten vaak nog op het allerlaatste moment aanpast, net voor je het podium op moet?
‘Een tekst is nooit af. Dus het gebeurt dat ik dingen aanpas. Zelfs de dingen die in mijn bundel staan zijn niet definitief voor mij. Dat houdt het interessant. Zoals het ook spannend is dat tijdens een optreden alles kan mislopen. Spijtig genoeg is een poëziepubliek altijd redelijk braaf, zodat ze gewoon op hun gat blijven zitten. Daarom treed ik graag op in speciale plaatsen: fabrieken, bordelen, op schepen, in de woestijn…’
De woestijn?
‘Dat was op toernee in Zuid-Afrika. We zijn begonnen aan de Kaap, Kaapstad en Stellenbosch, maar toen bleek dat er twee dagen later moest opgetreden worden in Johannesburg en Pretoria. Nu, Zuid-Afrika, dat is ongeveer zo groot als West-Europa, dat is echt gigantisch, dus je moet eigenlijk bijna twee dagen door de woestijn rijden om van de ene stad naar de andere te geraken. En daarna weer twee dagen terug naar Kaapstad voor de andere optredens. We hadden dus een pitstop nodig, en we hadden het zo geregeld dat we in een van die dorpjes waar we zouden slapen konden optreden. Overnachten in ruil voor een optreden: het was zo rock ‘n’ roll als het klinkt. In zo’n kleine Boerengemeenschap waar ook een kunstenaarskolonie was. Nu moet je weten: dat was echt in the middle of nowhere, dus voor die mensen was dat feest, die maken daar niet zoveel mee. Dat was echt fantastisch, heel authentiek, heel echt. Dat is zo typisch een van die optredens waarna de mensen komen zeggen; “ik ken niets van poëzie, maar ik vond het echt heel goed.” Ik zeg dan altijd: “ik ken zelf ook niets van poëzie.” (lacht) Poëzie heeft ook niets te maken met kennis, maar alles met de energie en de intensiteit van het moment. Ik treed liever op voor mensen die nooit een boek lezen, dan voor een aula vol professoren.’
Heb je dan niet het gevoel dat je door een bundel uit te brengen de intensiteit van zo’n momentopname definieert, vastlegt voor de eeuwigheid?
‘Dat is ook een van de redenen dat ik er een tijdje mee gewacht heb, maar na verloop van tijd dacht ik ook: “ja, so what?” Het is niet omdat mijn gedichten nu in een boek staan dat ik er niets meer aan mag veranderen. Bijvoorbeeld, ik heb een gedicht met opzet in een andere vorm in de bloemlezing van Boest (literaire roadshow, red.) laten opnemen. Dat is goed, dan kan daar binnen vijftig jaar iemand over doctoreren aan de unief. (lacht) Een van de redenen om het boek uit te geven was ook wel dat ik altijd op zoek ben naar nieuwe dingen en nieuwe impulsen.’
Lenen je gedichten zich meer tot het lezend oog of meer tot het luisterend oor?
‘Een goed gedicht is een goed gedicht natuurlijk. Het moet mij pakken, het moet mij bewegen, het moet mij iets doen. En of het nu gesproken is of in een boek staat, dat maakt zoveel niet uit. Het is wel zo dat taal in essentie gesproken is. En voor mij is het podium heel belangrijk. Maar dat betekent niet dat ik een bundel minderwaardig vind. Wat mij betreft: ik doe gewoon wat ik doe. Andere mensen komen dan aandraven met hun hokjes, en hun a priori’s zoals “maar jij bent performer, jij mag niet publiceren’” ‘
Maar toch: liever een kutgedicht dat goed gebracht is?
(lacht) ‘Het zijn per definitie allebei verkeerde keuzes. Beide moeten werken. Je kan een goed gedicht verpesten op het podium, iets kan op papier niet werken maar live wel. Er zijn een aantal heel goeie performers die nooit een bundel hebben uitgebracht, bijvoorbeeld John Cooper Clarke, de Engelse punkdichter. Magistraal wat die man doet, maar hij heeft nog nooit een letter op papier uitgebracht. Spijtig genoeg is het niet hebben van een bundel iets waar men dichters wel eens op durft af te rekenen.’
Je treedt soms op met een begeleidingsband, the Androids.
‘Absoluut. Men zegt wel eens “zangers zijn mislukte dichters.” Deze dichter is misschien wel een mislukte muzikant.’
Kan je zingen?
‘Nee, nee, absoluut niet. Ik zing ontzettend vals. En een ander probleem is: ik kan geen teksten onthouden.’ (lacht)
Sta je dan met the Androids met een bundeltje A4’tjes op het podium?
‘Jaja, absoluut, ik heb altijd mijn teksten bij. Ik sta ook op de cover van mijn bundel als een rockster, vind ik. Ik heb trouwens leuke verhalen over die cover, als het je zou interesseren.’
By all means.
‘De man van die cover, dat is Franky Claes, die werkt vooral voor muzikanten. En niet de minste, he: Amy Whinehouse, Foo Fighters, Yoko Ono…’
En nu dus eindelijk met Andy Fierens.
(lacht) ‘Ja, dat was voor hem weer een grote uitdaging. Ons idee was om herinterpretaties te maken van bekende kunstwerken. Zo is er ook een foto van mij met een mijter en een naakt kind, een piëta. Voor een ander idee was het de bedoeling dat ik op de cover zou staan met een klein biggetje aan een leiband, naar een schilderij van Felicien Rops, een Waalse schilder. Geweest, de mens is al een hele tijd dood. Die heeft een hele reeks gemaakt van dames uit de bourgeoisie met een varken aan de leiband. Uiteindelijk hebben we een kinderboerderij bereid gevonden om zo’n varken af te staan. Dus wij daar naartoe, al een leiband gemaakt en al. Maar toen we daar aankwamen bleek dat het geen big was maar een zeug van 200 kilo. En die mocht niet uit haar hok, want dan kregen ze haar er niet terug in. Dus we hebben daar dan een paar foto’s met schapen getrokken, maar dat was toch ook niet je dat. Dan hebben we maar ter plekke beslist – de cover moest klaar zijn een paar dagen later – om door te rijden naar Essen, en daar stond het oudste circus van België, het Wienercircus van Ricky Canone. De clown op de cover is dus eigenlijk een houten plaat voor dat circus. Het vreemde is: dat is een heel angstaanjagende clown. Dus die cover was perfect, omdat hij zo mooi de dubbelheid van mijn bundel illustreert.’
Vandaar dat de vlinder ook smerig is.
‘Ja, het mooie, maar toch ook het vuile. Ik heb een heel groot wantrouwen tegenover alles wat mooi is, of mensen die zich voordoen als übergoed. Ik vertrouw het niet. Ik heb liever iemand die eerlijk uitkomt voor z’n tekortkomingen, want uiteindelijk hebben we die toch allemaal.’
Wat is voor jou de meerwaarde van met een band op te treden?
‘Dat is kicken! En dat is toch de droom van elke kleine jongen, in een groep zitten? Ik moest onlangs optreden met Jules Deelder en Remco Campert, dat was een avond over jazz. Jules zei daar tijdens een interview: “de grootste kick die er is, is iets samen doen met anderen, en loskomen van de grond.” Hij heeft gelijk. Ik kan een tekst schrijven en voelen dat het goed is, maar ik kan dat meestal niet onmiddellijk delen met iemand. Ik kan tegen mijn vrouw wel zeggen: “schatje, ’t is KEIEIGOE”, maar dan krijg ik meestal een lauwe reactie en schilt ze ondertussen verder patatten (lacht) Als je iets aan het creëren bent, dan begint je hart sneller te kloppen en word je euforisch. Het gebeurt niet elke keer, maar àls het gebeurt, dan is er niets dat zo leuk is. Je fietst fluitend naar huis, je kan niet slapen van opwinding, en je bent gewoon weer een klein kind dat morgen naar de kermis mag. Weet je, op school zeiden ze tegen mijn moeder: “uw zoon lijdt aan overinteresse.” En dat is waar, ik wil alles doen, ik wil nog meer met film doen, meer met theater doen, maar de basis blijven de gedichten, sowieso. Daar is alles mee begonnen en als alles wegvalt zal dat overblijven. Er valt iets voor te zeggen dat het beter is om te focussen op één ding en daar dan heel goed in te worden, maar ik zou ziek worden, denk ik. Ik wil alles.’
