over Idzerda

Geplaatst op 15 oktober 2010 door VPRO Digitaal

Namens het bestuur: hartelijk welkom in Instituut Idzerda, het programma waar publiek in zit!!

Idzerda-fan van het eerste uur en trouwe luisteraar Alex stuurde ons een nieuwe foto van zo’n fantastische radio-ontvanger, ontworpen en gebouwd door ir. Idzerdaidzerda-radio

.

.

NIEUWE FOTO ir IDZERDA ONTDEKT!! Op een Antwerpse rommelmarkt is onlangs een foto opgedoken van onze radiopionier tijdens een niet ongevaarlijk experiment. Dit is de eerste foto ons bekend van het profiel van deze uitvinder en omroepvoorman. Let op de wilskrachtige kin! (klik op de foto voor een ruimer zicht)


hoe Idzerda in het jaar des Heeren 1919 begon in Den Haag

een wetenschappelijke reflectie van drs. M. Koolhaas

“Turf in je ransel”, daarmee begon het. Op 6 november 1919, vanuit een primitieve radio-studio in de Haagse Beuklaan. Met een bordje boven de deur waarop stond “brandt dit licht, dan koppen dicht”. Het was de geboorte van de Nederlandse omroep. En de man die het bewerkstelligde was de Haagse ingenieur Hanso Schotanus à Steringa Idzerda.

Idzerda (”IDZ” was zijn radio-roepnaam) zond een zogenaamde radio soirée musicale uit: een programma met muziek en voordracht. De studio- en zendapparatuur was gemaakt door zijn eigen bedrijfje, de NRI (Nederlandse Radio Industrie).

Tot 11 september 1924 wist hij zijn zender met de roepletters PCGG in de lucht te houden. Door gebrek aan geld kwam een eind aan deze pioniertijd.

Inmiddels nam de Hilversumse Nederlandsche Seintoestellen Fabriek (NSF), met steun van Philips, die twee zendmasten bij Huizen beschikbaar stelde, de publieke omroeptaak over. Uit de Seintoestellenfabriek kwam de AVRO voort en daarna NCRV, KRO, VARA en VPRO. Het verzuilde omroepbestel was geboren, en we zouden er nooit meer vanaf komen.


250px-hans_henricus_schotanus_a_steringa_idzerdaWas Nederland de eerste?

Door zijn in een krantenadvertentie vooraf aangekondigde ‘Soirée Musicale’ wordt Idzerda’s uitzending van 6 november 1919 als het begin van de omroep in ons land gezien. Daar lijkt weinig op af te dingen. Maar in de meeste publikaties wordt Idzerda niet alleen als de nationale omroeppionier gezien, nee, vaak wordt daar meteen een internationale claim aan verbonden. Idzerda zou als eerste ter wereld radio-omroep bedreven hebben. Daarbij wordt omroep gedefinieerd als het regelmatig uitzenden van VOORAF aangekondigde uitzendingen.

Nou is het natuurlijk leuk, als een klein land als Nederland internationaal gezien ergens het voortouw heeft genomen, maar die claim moet dan wel serieus aangetoond kunnen worden. En met de internationale claim van Idzerda is het eigenlijk net zo als met die andere Nederlandse communicatiepionier: Laurens Jansz. Coster.

Het is jammer voor chauvinisten, maar ook Idzerda heeft aantoonbaar buitenlandse voorgangers gehad. En net als Coster: zonder dat hij dat waarschijnlijk zelf wist. Want ver weg, aan de andere kant van de Oceaan, kenden de Verenigde Staten in 1919 al een omroepwereld die heel wat verder ontwikkeld was dan die in Europa. Het is vreemd dat Nederlandse omroephistorici van de vele Amerikaanse onderzoeken die voorhanden zijn, zo weinig kennis nemen. Want hoe jammer het misschien ook is, 90 jaar na Idzerda wordt het tijd om onze omroeppionier de plaats te geven die hem internationaal toekomt. Niet minder, maar zeker ook niet meer.

Voordat je kunt bepalen welk station nu echt met recht als eerste is gaan ‘omroepen’, moet het begrip ‘omroep’ nader gedefinieerd worden. Want wat verstaan we eigenlijk onder omroep? Gelukkig blijken Amerikaanse onderzoekers vrijwel dezelfde definitie te hanteren als de definitie op grond waarvan wij in Nederland Idzerda als pionier beschouwen.

R. Franklin Smith heeft in 1959/60 in zijn artikel ‘Oldest Station in the Nation?’ in het ook toen al toonaangevende ‘Journal of Broadcasting’ voor het eerst criteria geformuleerd om de overgang van radioamateurisme naar omroep te kunnen vaststellen. Smith geeft vijf criteria, waaraan volgens hem een station moet voldoen wil het als ‘omroep’ gekwalificeerd kunnen worden. Er is pas sprake van omroep, volgens Smith:

1) door het gebruik van radiogolven

2) door het uitzenden van ongecodeerde spraak of muziek

3) in de vorm van een regelmatig programmaschema (’continuous patterned program service’)

4) bedoeld om door het publiek te worden ontvangen

5) met een vergunning van de overheid

idzerda-radio

door ir Idzerda ontworpen radiotoestel

In 1975 hebben Joseph E. Baudino en John M. Kittross in hetzelfde ‘Journal of Broadcasting’ op basis van nieuwe gegevens een nieuw onderzoek gedaan naar Amerika’s oudste, nog steeds bestaande radiostation. Zij nemen Smith’ eerste vier criteria over en geven daarbij de volgende toelichting:

1) bedoeld om draadomroep uit te sluiten

2) bedoeld om Morse-seinen uit te sluiten

3) er moet continuïteit in de uitzendingen zitten

4) het beste bewijs hiervoor is het bekendmaken op één of andere manier aan het publiek van het bestaan van het omroepstation, dit om zeer gespecialiseerde berichtgeving uit te sluiten

Het laatste criterium, de officiële vergunning, verwerpen Baudino en Kittross. Wetgeving kan nooit een criterium zijn om de waarde van een nieuwe ontwikkeling vast te stellen. Bovendien was het sinds de ‘Radioact’ van 1912 in Amerika toch al verboden om zonder vergunning uit te zenden, en bezaten alle stations die in aanmerking komen voor de titel ‘oudste omroep van Amerika’ bij hun start al zo’n vergunning.

Vooral de toelichting bij punt 4 is van belang bij de vraag of Idzerda geen Amerikaanse voorgangers gehad heeft. Want het is juist die aardige advertentie uit de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 5 november 1919, op basis waarvan Idzerda tot omroeppionier is gebombardeerd. Daarmee maakte hij zijn bedoelingen aan een breed publiek bekend, en zou hij dus ook volgens Baudino en Kittross als ‘omroep’ aangemerkt kunnen worden. Omdat Idzerda ook aan de andere criteria voldoet, kunnen we zijn initiatief dus vergelijken met de Amerikaanse ‘prehistorie’ van de omroep en, jammer maar helaas, zijn initiatief terugbrengen tot een nationaal en geen internationaal unicum.

Over de Amerikaanse begintijd van de omroep zijn, net als bij ons, relatief weinig bronnen voorhanden. Daar zijn twee duidelijke redenen voor: mensen die zich met nieuwe technieken en innovatie bezighouden, hebben over het algemeen weinig historisch bewustzijn. Hun blik is op de toekomst gericht. Zelden houden zij een adequate boekhouding bij van hun bezigheden.

Daarnaast is er een intrinsieke reden: een omroep produceert niet, in tegenstelling tot bijvoorbeeld kranten, een eigen archief. Als we de bekende uitspraak ‘the medium is the message’ eens op een andere manier interpreteren, is duidelijk dat het medium omroep geen ‘messages’ nalaat. Die verdwijnen spoorloos in de ruimte. Maar gelukkig kent de Amerikaanse omroepgeschiedenis, net als de Nederlandse trouwens, genoeg secundaire bronnen om een verantwoord beeld van haar ontstaansgeschiedenis te schetsen.

radiotek001-fullinit_1Zo heeft een omroeppionier als Lee de Forest een prachtige autobiografie nagelaten (Lee de Forest: ‘Father of Radio’, Chicago 1950). Daarnaast zijn de Amerikaanse omroephistorici zelf al vroeg op pad gegaan om door middel van ‘oral history’ de herinneringen van betrokkenen vast te leggen. Daardoor is hun bronnenmateriaal veel uitgebreider dan bij ons.

In hun artikel in het ‘Journal of Broadcasting’ belichten Baudino en Kittross vier stations die volgens hen in aanmerking komen voor de titel: ‘oudste omroep van de Verenigde Staten’. Op basis van die beschrijving is het mogelijk om de Amerikaanse situatie met die in Nederland te vergelijken, en aldus een historisch oordeel over Idzerda te vellen.

Maar eerst iets over de Amerikaanse voorgeschiedenis, initiatieven dus die NIET aan de criteria voor omroep voldoen. Want veel eerder dan waar ook ter wereld waren in Amerika radioamateurs vanaf het begin van deze eeuw, en zelfs al eerder, actief. Zij legden niet alleen verbindingen, maar hielden zich ook al bezig met ‘omroepexperimenten’.

Nathan B. Stubblefield bijvoorbeeld, wist al in 1892 menselijke spraak uit te zenden, vanuit een schuurtje naast zijn boerderij in Murray, Kentucky. Maar dit eenmalige experiment, hoe ingenieus ook in de tijd, voldoet natuurlijk nog niet aan de omroepcriteria: ook al siert de tekst ‘Father of Radio-Broadcasting’ Stubblefield’s grafzerk.

Al een heel eind dichter in de buurt komt de in Canada geboren radiogrootheid Reginald Fessenden. Deze leerling van niemand minder dan Edison was in het begin van deze eeuw hoogleraar aan de Universiteit van Pittsburgh. Daarna kreeg hij bij het nationale weersbureau, het Amerikaanse KNMI dus, een baan om een systeem te ontwikkelen om per draadloze telefonie weerberichten te kunnen versturen.

Op Kerstavond, en opnieuw op oudejaarsavond 1906, verzorgde Fessenden een vooraf aangekondigd (!) programma vanuit zijn woonplaats Brant Rock in Massachusetts. Fassenden draaide plaatjes en speelde ook zelf een stuk op de viool. Hij maakte zijn uitzending bekend bij marconisten op zee en mensen met ontvangsttoestellen in New York.

Hoewel het dus op zichzelf staande experimenten betrof, voldeed Fassenden hiermee aan drie van de vier criteria van Smith om als omroeppionier aangemerkt te kunnen worden. Voor veel Amerikaanse omroephistorici (o.a. Barnouw en St. John) is Fassenden daarom de ‘uitvinder van de omroep’, ook al zorgde hij niet voor continuïteit in zijn uitzendingen.

Behalve Fassenden was in diezelfde tijd Lee de Forest actief, de man die zonder last van bescheidenheid zijn autobiografie als ondertitel ‘Father of Radio’ meegaf. Niet geheel ten onrechte overigens, want De Forest heeft als radioamateur vooral op technisch gebied baanbrekend werk verricht. Zo was hij uitvinder van de vacuüm radiobuis, die de verzending van spraak mogelijk maakte. Al in 1907 en 1908 experimenteerde hij met uitzendingen. Het meest opzienbarend was zijn uitzending in 1908, toen hij vanaf de Eiffeltoren in Parijs de Willem-Tell-ouverture ten gehore bracht.

In 1916 verzorgde De Forest een verkiezingsuitzending. Dankzij een verbinding met het dagblad de ‘New York American’ kon hij het publiek nauwgezet op de hoogte houden van de nek-aan-nekrace tussen Woodrow Wilson en Charles Hughes. Om 11 uur ’s avonds hield De Forest er mee op, en voorspelde dat Hughes de nieuwe president zou worden! Groot moet zijn verbazing zijn geweest, toen hij ’s ochtends in dezelfde ‘New York American’ las dat niet Hughes maar Wilson tot nieuwe president was verkozen!

De uitzending van De Forest baarde enorm opzien. Uit duizenden ontvangstrapporten kon hij opmaken dat hij tot ruim 300 kilometer in de omtrek te horen was geweest. Toch was het succes ook voor De Forest geen reden om regelmaat in zijn uitzendingen te brengen: daarvoor was hij teveel ‘techneut’ en te weinig omroepman.

De ‘Father of Radio’ kan dus niet als ‘Father of Wireless Broadcast’ aangemerkt worden. Wel zag hij al vroeg de ongekende mogelijkheden van het nieuwe medium in. Toen hij in 1909 in een interview met de ‘Jersey City Journal’ opmerkte dat hij een tijd voorzag waarin nieuws en zelfs advertenties draadloos ontvangen zouden worden, noemde de commentator van de krant die voorspelling ’stoutmoediger dan toekomstgedroom’!

Niet de eerste, die bewaren we voor het laatst, maar wel de oudste: dat mag gezegd worden van Dr. Frank Conrad’s station KDKA in Pittsburgh. Het is het station waar ook in het boek ‘Omroep in Nederland’ waarschijnlijk op gedoeld wordt, al wordt het station daarin in Boston gesitueerd, wat toch niet echt bij Pittsburgh in de buurt ligt.

Ook het begin van KDKA valt eerder dan de in ‘Omroep in Nederland’ genoemde start in augustus 1920. Frank Conrad was als ingenieur in dienst van Westinghouse Company, een bedrijf dat o.a. ontvangstapparatuur verkocht. In 1916 kreeg Conrad als radioamateur een licentie voor zijn experimentele station 8XK.

Dat hij zijn licentie in 1916 verkreeg, was op zich al heel bijzonder, aangezien de Amerikaanse overheid het radioamateurisme sinds het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog aan banden had gelegd. Maar Westinghouse was gevraagd om in opdracht van defensie de binnenlandse militaire berichtgeving door de ether te verzorgen. Direct na de oorlog pakte Conrad onder de naam KDKA de draad als ‘onafhankelijk zendgemachtigde’ weer op. Hij werd gesponsord door Westinghouse, dat, net als bij ons Idzerda en later de NSF, de verkoop van ontvangsttoestellen voor ogen had. Met zijn onregelmatige muziekuitzendingen kreeg Conrad zoveel reacties, dat hij vanaf 17 oktober 1919 besloot om voortaan twee keer per week, elke woensdag- en zaterdagavond, een twee uur durend verzoekplatenprogramma uit te zenden. Daarnaast traden er live-artiesten op voor de microfoon, en fungeerden Conrad’s zoons Crawford en Francis als ’s werelds eerste discjockey’s!

Conrad hield ook lezingen en hij gaf, hoe kan het anders in de Verenigde Staten, de honkbal- en voetbaluitslagen door. Hij had geen moeite om zijn programma’s onder de publieke aandacht te brengen. Anders dan Idzerda, die bij gebrek aan journalistieke belangstelling gedwongen was de aankondiging van zijn ‘Soirée Musicale’ als advertentie te plaatsen, verschenen er over Conrad’s uitzendingen enthousiaste verslagen in de ‘Pittsburgh Gazette Times’. Daarmee voldeed KDKA dus vanaf 17 oktober 1919 aan alle criteria die door deskundigen aan het begrip ‘omroep’ worden verbonden. Daarmee ook versloeg hij onze Idzerda als omroeppionier, al is het maar met drie weken.

Net als De Forest kreeg Conrad nationale bekendheid met een verkiezingsuitzending. Op 2 november 1920 versloeg hij vanaf 6 uur ’s avonds tot de volgende middag ‘live’ de strijd tussen Warren Harding en James Cox. Vanuit de studio op het dak van ‘Westinghouse Company’s East Pittsburgh Plant’ hield verslaggever Leo H. Rosenberg de luisteraars achttien uur lang op de hoogte van de ‘polls’. Overigens voorspelde hij wel, in tegenstelling tot De Forest vier jaar eerder, correct dat Harding de verkiezingen zou winnen.

Na het succes van die verkiezingsuitzending, begon KDKA met dagelijkse nieuwsuitzendingen. Elke avond van half negen tot half tien. En het aardige is: het station heeft dat, in een grotere frequentie uiteraard, tot op de dag van vandaag volgehouden. KDKA is daarmee zeer waarschijnlijk het oudste, nog steeds bestaande, radiostation ter wereld.

Frank Conrad’s KDKA mag dan de langste traditie hebben, het is niet het eerste Amerikaanse station dat aan de criteria voor ‘omroep’ voldoet.

‘This is the wireless telephone on the Garden City Bank Building in San Jose, California’: in januari 1909 was deze aankondiging op meer dan 80 kilometer van Charles David Herrold’s experimentele station KQW hoorbaar. Herrold was docent aan het ‘College of Engineering and Wireless’ in San Jose en vond een radiouitzending een mooie reclame om studenten voor zijn opleiding te werven. Hoewel er over de geschiedenis van KQW heel wat minder bekend is dan over KDKA, schijnt Herrold van 1909 tot 1912 af en toe, maar niet regelmatig, muziek- en nieuwsuitzendingen verzorgd te hebben. Vanaf 1912, wanneer precies is onbekend, verzorgde hij elke woensdagavond een uitzending, waarin nieuws met plaatjes werden afgewisseld. Daarmee voldeed Herrold als eerste aan de criteria die aan ‘omroep’ gesteld worden. ”Het werd haast een religie,” schrijft Barnouw in zijn ‘Tower in Babel’, ”om elke woensdag naar Herrold’s platenkeus te luisteren.” De kwaliteit van de uitzendingen was in het begin over het algemeen goed, maar de primitieve koolstofmicrofoon haalde zelden ongeschonden het einde van de uitzending. Wel was in 1914 het babygehuil van Herrold’s pas geboren dochter door de hele ‘Valley’ hoorbaar.

Volgens een bewaard gebleven uitzending van KQW uit 1945, waarin de eigen geschiedenis belicht werd, schijnt het station zelfs van mei tot oktober 1913 dagelijks te hebben uitgezonden. Zeker is, dat dit in 1915 gebeurde, tijdens de ‘Panama Pacific Exposition’ in San Francisco. Ook zijn er voldoende aanwijzingen dat de luisterdichtheid en naamsbekendheid van Herrold vanaf het begin groot is geweest. Niet voor niets stelde een platenzaak gratis platen ter beschikking, waarbij natuurlijk wel de naam van de zaak genoemd moest worden.

In tegenstelling tot iemand als Lee de Forest, was Charles Herrold de eerste echte omroepman. Hij was niet alleen gefixeerd op de techniek, maar gebruikte die direct om er een ‘publieke dienst’ van te maken. Daarmee ook werd Charles D. Herrold’s KQW ’s werelds eerste radio-omroepstation dat aan de moderne criteria voldeed! Aan zijn ‘concurrent’ Lee de Forest schreef Herrold in 1940 over die beginjaren: ‘Het was echt omroep - hoe wist ik dat? Omdat ik mijn eigen publiek moest verzorgen. Ik trok er op uit door het dal en installeerde overal kristalontvangers zodat iedereen naar de muziek kon luisteren.’ Op die manier waren advertenties of aankondigingen in de krant zelfs overbodig!

Het huidige station KCBS in San Francisco beschouwt zich als antecedent van ‘good-old’ KQW. Omdat KQW in de jaren 1917-1922 niet regelmatig in de lucht is geweest, beschouwen de meeste Amerikaanse omroephistorici niet KCBS maar KDKA uit Pittsburgh als het oudste nog bestaande radiostation. Maar de eerste ter wereld, die claim houdt stand. Daar kan zelfs onze eigen IDZ niets aan veranderen!

Ten slotte twee andere ‘oudjes’ die in de Amerikaanse literatuur de nodige aandacht krijgen:

De Universiteit van Wisconsin kreeg in 1915 een licentie voor de zender 9XM, waarmee vanaf juni 1916 regelmatig weerberichten werden uitgezonden voor boeren in het ‘Great Lake’-district. Ondanks de Eerste Wereldoorlog behield deze zender als één der weinigen zijn licentie, vooral als hulpzender voor de marine. Vanaf februari 1919 werden regelmatig gesproken woord-uitzendingen verzorgd voor een nabijgelegen marine-opleidingsinstituut. Regelmatige uitzendingen voor een algemeen publiek kwamen pas in januari 1921 tot stand. De weerberichten werden aangevuld met concerten, sportpraatjes en informatieve programma’s. Vooral de studenten van de Universiteit werden ingezet als gelegenheids-programmamakers. Vanaf 1922 fungeert deze zender met een officiële commerciële licentie onder de naam WHA. Vandaag de dag is WHA één van de toonaangevende zenders op het gebied van educatieve programma’s.

Ten slotte Frank Edwards, die met zijn 8MK-zender zijn eerste uitzending (ook een verkiezingsuitzending!) verzorgde op 20 augustus 1920 op de tweede verdieping van het redactiegebouw van de ‘Detroit News’. Die krant schreef overigens heel wat positiever over het radio-experiment, dan de ‘Jersey City Journal’ vier jaar eerder over het toekomstbeeld van Lee De Forest. In plaats van ‘erger dan dagdromerij’, sprak men nu over ‘een enorme stap voor de mensheid in de strijd met de elementen.’

Een jaar later kwam de licentie onder de naam WBL (later WWJ) officieel op naam van de Detroit News. 75 jaar voordat Nederlandse uitgevers zich met commerciële nieuwsradio bezig gingen houden, was dat in de Verenigde Staten al het geval! Winst werd er door het station niet gemaakt. Reclame voor de krant was het enige doel. Ook nu nog is WWJ één van toonaangevende nieuwsstations voor Detroit en omstreken. Winst wordt er nu overigens wel gemaakt.

Het aardige van grote uitvindingen is dat de reikwijdte ervan door de uitvinder zelf (en het publiek!) vaak niet ingezien wordt. Soms verdwijnt een uitvinding zelfs voor jaren in de kast, om onder een beter gesternte ‘herontdekt’ te worden. Kijk naar de voorgeschiedenis van de TV in ons land! Ook de omroeppioniers zullen nauwelijks bevroed kunnen hebben, dat hun initiatieven gezichtsbepalend voor de 20e eeuw zouden worden. Toch zijn er onder die radiopioniers al geesten geweest met zo’n visionaire blik. Als je het dan hebt over de Amerikaanse omroepgeschiedenis, kun je niet voorbij aan de naam van David Sarnoff, die al in 1915 zijn beroemd geworden ‘Radio Music Box’-memorandum opstelde. Volgens eigen overlevering hoorde Sarnoff met zijn ontvanger in 1912 de noodsignalen die de SS Olympic uitzond. Dit schip maakte als eerste melding van het zinken van de Titanic, waar geen marconist aan boord was. Die gebeurtenis zou Sarnoff mede geïnspireerd hebben tot de ontwikkeling in 1915 van zijn revolutionaire media-concept. Sarnoff omschreef zijn plannen als volgt:

‘Ik loop met een plan rond dat van radio een huishoudelijk gebruiksvoorwerp kan maken, net als de piano of de phonograaf. Het idee is om muziek in de huiskamers te brengen per draadloze transmissie. De ‘Radio Music Box’ kan worden voorzien van versterkers en luidsprekers, die handig in één doos kunnen worden gemonteerd. Die doos kan dan op een tafel in de woon- of zitkamer gezet worden. (…) Hetzelfde principe kan worden uitgebreid tot tal van andere terreinen. Zoals bijvoorbeeld het thuis ontvangen van lezingen die perfect hoorbaar gemaakt kunnen worden. Ook gebeurtenissen van nationaal belang kunnen op dezelfde manier worden aangekondigd en ontvangen.’

Hoe omslachtig ook geformuleerd, met bovenstaand citaat schetste Sarnoff al in 1915 nauwgezet de toekomst die voor de radioomroep was weggelegd. Als eerste verbond hij technische mogelijkheden met een massa-publiek. Maar Sarnoff vond, net als de meeste visionaire geesten, weinig weerklank met zijn ideeën. Toen het hem in 1922 eindelijk lukte om met steun van RCA de ‘Radiola’ op de markt te brengen, was Frank Conrad’s firma Westinghouse hem met de ‘Aeriola Jr.’ al voorafgegaan. De ‘Radio-Music-Box’ veroverde de wereld, en Sarnoff bracht het tot directeur van RCA!

In 1927 werd in de Verenigde Staten een nieuwe omroepwet ingevoerd (’Federal Radio Act’) waarin het begrip ‘public interest’ was opgenomen. Ook bij de wettelijke definiëring van omroep als een ‘publieke zaak’ namen de Verenigde Staten dus het voortouw. De beruchte radiowetgeving van minister Reijmer stamt in ons land uit 1930.

Tot zover dit beknopte overzicht van het begin van de Amerikaanse omroepgeschiedenis. Eén ding is daarmee duidelijk geworden. De betekenis van de omroepactiviteiten van ir. Idzerda hebben geen internationale betekenis gehad. Niet alleen in technisch, maar ook in programmatisch opzicht ging Amerika ons vooraf. Als er al een internationale ‘uitvinder’ van de omroep genoemd moet worden, is dat zeker niet onze Haagse ingenieur Schotanus à Steringa Idzerda. Als het om internationale roem gaat, komt die in eerste instantie toe aan Reginald Fessenden, die al in 1906 het eerste ‘omroepexperiment’ in de praktijk bracht, aan Lee de Forest, die in 1908 met zijn nieuw ontwikkelde radiobuis het verzenden van spraak mogelijk maakte, aan Charles David Herrold die al in 1912 in San Jose met regelmatige ‘omroep’ begon, en aan David Sarnoff, die al in 1915 de grootse toekomst van het nieuwe medium voorspelde.

Tenzij…. tenzij blijkt dat de geschiedenis in andere landen nieuwe kandidaten naar voren brengen. Maar noch uit Britse, noch uit Duitse of Franse bronnen blijkt zoiets. Of zou er in Australië of Zuid-Amerika misschien eerder hetzelfde bedacht en toegepast zijn? Het woord is opnieuw aan de omroephistorici.

Marnix Koolhaas