
Een ploegentijdrit, dat is nog eens andere koek. Poeh hee, wat was dat zwaar vandaag.
(Bij een ploegentijdrit moet elke ploeg een parcours, in dit geval 34,5 kilometer, zo snel mogelijk afleggen. Iedere ploeg start met alle zes de rensters. Die rijden in een treintje of in een waaier achter elkaar – afhankelijk van waar de wind vandaan komt.
De grap bij een ploegentijdrit is dat je niet even kunt uitrusten in het wiel, zoals bij gewone etappes vaak het geval is. Je moet continu volle bak geven. Alleen als iedereen dat doet, rij je een goede tijd. Dat maakt een ploegentijdrit zo zwaar. Er moeten minimaal drie rensters tegelijk over de streep komen, de klok wordt stil gezet als de laatste van het trio gefinisht is. Er mogen dus drie rensters ‘lossen’ tijdens de rit, als ze het tempo niet meer vol kunnen houden.)
Onze ploegentijdrit was in alle opzichten adembenemend. Dat ontdekten we tijdens de verkenning in de auto. We startten met een acht kilometer lange klim. Daarna kwam een afdaling over smalle weggetjes door velden vol klaprozen, met slecht wegdek en een harde wind die steeds uit een andere hoek leek blazen omdat de weggetjes zo slingerden. Draaien en keren door de smalle straatjes van schitterende Zuid-Franse dorpjes, continu op en af. Dan een slotklim en een snelle afdaling naar de finish.
En dat op een tijdritfiets, waarop ik nog steeds alles behalve ervaren ben. Tijdens de eerste beklimming stierf ik al duizend doden. Ik schakelde steeds de verkeerde kant op, zwaarder in plaats van lichter, en durfde vanwege de windvlagen niet zo goed met mijn wiel bijna tegen het wiel van mijn voorgangster te rijden. Dat moet je eigenlijk wel doen, anders verspil je onnodig veel energie.
In de afdaling vertrouwde ik mezelf te weinig om continu te blijven liggen. Als je ligt op je ligstuur ga je vanwege je aërodynamische houding niet alleen sneller, maar je zit ook met je handen bij je versnellingen. Je kunt dus makkelijk schakelen. Als je je stuur breed vastpakt, dan zit je met je handen bij de remmen. Dat geeft een veilig gevoel in een snelle, bochtige afdaling, maar is niet handig als je wilt schakelen. Met één hand van het stuur om toch even snel een tandje erbij te doen durfde ik nauwelijks, vanwege zestig kilometer per uur (wat zeg ik? Harder nog!) over hobbelig asfalt.
Knarsetandend probeerde ik in het wiel te blijven en mijn kopbeurten mee te draaien. Inmiddels hadden al drie ploegmaten gelost – ik had dus geen keus. Ik móest mee, tot de meet. Op het laatste klimmetje dacht ik echt dat ik erin bleef. Ik zag het wiel voor me steeds verder weg schuiven. Met een oerkreet trok ik de aandacht: wacht op mij! Mijn ploegmaats keken om en haalden de druk van hun pedalen. Gefrustreerd haakte ik weer aan.
Het bord met ‘5 km’ erop kwam als een verlossing. Ik dacht dat we er nog minstens vijftien moesten. Dat zou ik echt niet meer trekken, dat wist ik zeker. Mijn twee ploeggenotes zouden me de heuvels op moeten slepen en we zouden als allerlaatste ploeg in het klassement terecht komen. Maar vijf… Dat ging ik wel redden! Bijna alleen maar heuvelaf. Als een kamikazepiloot stortte ik me naar beneden. Met z’n drieën denderden we op de finish af. Gehaald. Maar wat een beproeving.
(We finishten als zevende ploeg van de twintig, in 51 minuten en 45 seconden. Ploeggenoot C. houdt de roze trui voor de beste jongere en ik stijg van plaats 48 naar 27 in het algemeen klassement.)
———————————————–
Marijn is redacteur bij Holland Sport en wielrenster. Op dit moment neemt ze deel aan de Tour de l’Aude, de grootste etappekoers voor vrouwen. Lees meer op www.marijndevries.nl.