Menno Wigman maakt de balans op
De week in afzondering is Menno niet goed bevallen. “Ik denk dat ik mezelf niet heel goed ken. Ik vond het eigenlijk een verschrikking. Ik ken mezelf in die zin wel goed, dat ik twee weken van te voren ertegenop begon te zien. Maar ik vond het echt taai, ik had het gevoel dat ik tegen de natuur moest vechten. Zo eind november zijn de elementen wel erg hevig.”
In het boothuis heeft hij een brief voor de volgende bootgast achtergelaten, dichteres Ester Naomi Perquin. Zij is een tijd cipier geweest. “Ik heb veel aan mensen in isoleercellen gedacht. Maar ik denk dat je in een gevangenis nog meer contact met mensen hebt. Hetzij met medegevangenen, hetzij met cipiers. Maar ik denk dat dit erger is…”
Podcast: Speel af in een nieuw venster | Download (Duur: 21:55 — 25.1MB)
Radioverslag van Menno Wigman (4)
Vorige week werd zijn essaybundel gepresenteerd, Red ons van de dichters. Het boek was voor Menno een behoorlijk bevalling. Nog steeds voelt hij zich overwerkt. “De stilte hier, die geen stilte is (ik hoor voortdurend ongebruikelijke geluiden), brengt geen rust. De slaap geen verkwikking. Gisteren beweerde ik dat ik vooral woedend en misnoegd was. Maar niet alles wat ik zeg moeten u geloven. Ik leed aan een kater. Geen lucide kater, waar ik soms best van houd, maar een narrige kater vol onredelijke wrokgedachten. Mijn excuses.” Hij vervolgt zijn radioverslag: “Of u wilt of niet, maar ik zit hier veel na te denken over mensen die onder de blote hemel leven…”
Podcast: Speel af in een nieuw venster | Download (Duur: 10:04 — 11.5MB)
Ik en de werkelijkheid
Aanspraak, aanspraak, ik wil aanspraak. Misschien ben ik in wezen wel praatziek.
Om zeven over twee, een klein half uur voordat de radiokoerier hier komt, voltrekt zich een wonder. Door mijn rechterraam zie ik hoe een motorjacht aanmeert.
Eindelijk kan ik praten. En ik zal dit gesprek rekken ook.
[…]
Ik hou hem aan de praat, ik hou hem aan de praat, denk ik triomfantelijk terwijl ik in de verte het bootje van de radiokoerier zie aankomen.
[…]
Hoe mijn hoogsteigen Vrijdag het vindt om hier als Amsterdammer tussen de Friezen te wonen.
‘Fijn, heel fijn. Maar weet je wat het is? De mensen hier hebben geen talent.’
‘Hoe bedoel je?’
‘Talent om gesprekken te voeren.’
Nog anderhalve minuut en de radiokoerier is aan wal. Snel vraag ik wat er waar is van die Duitser op dat eiland.
‘Hebben ze je daarover verteld? Het is een verzinsel. Friese humor. Lang geleden heeft hier eens een Duitser in de haven gelegen en die heeft toen iedereen verrot gescholden. Volstrekt onbenaderbaar was hij. Zo zijn die verhalen de wereld in gekomen.’
De radiokoerier. Terwijl hij zijn boot aan de mijne vastlegt jubelt hij: ‘Zeg, geloofde je dat nou echt van die Duitser?’
Natuurlijk voel ik me belazerd. En ik schaam me ook. Heel diep.
Op mijn zestiende was ik zo dom om mensen wel eens te vertellen dat ik gedichten schreef. Ik drumde in een band en één keer per week fietste ik naar een flatgebouw in IJmuiden waar we in de kelder van de zanger oefenden.
‘Menno, ik heb nu zoiets moois voor je, dat wil je niet geloven,’ vertelde de zanger me. Twee weken lang zat hij me lekker te maken. ‘Het is echt heel bijzonder. Het zijn twee schitterende oude dichtbundels die je heel mooi zult vinden.’
Op een avond griste hij iets vanachter een versterker vandaan en liep hij plechtig op mijn drumstel toe.
‘Kijk, hier zijn je poëziealbums.’
Toen ik de plastic tas van de V&D opende zaten er twee miserabele seksboekjes in.
Ik en de werkelijkheid. Komt het ooit nog goed?
Radioverslag van Menno Wigman (3)
Menno doet een oproep aan de luisteraars, of iemand weet hoe het Sarah Young is vergaan.
Op Senneroog wandelt hij meer dan hij verwacht had en vindt zelfs het doen van de afwas een belevenis. Hij weet inmiddels dat de Duitser Martin op een halve kilometer bij hem vandaan zit, op een plek die De punt heet. Toch, ook al zijn de dagen onwaarschijnlijk lang, hij houdt zich niet meer onafgebroken met hem bezig.
Podcast: Speel af in een nieuw venster | Download (Duur: 9:47 — 11.2MB)
Pornografie en spelfouten
‘Ik hield van pornografie vol spelfouten.’ Zoiets schreef Arthur Rimbaud, ik citeer uit het hoofd, in Une Saison en Enfer.
Natuurlijk had ik me op een week eenzame opsluiting voorbereid. Op mijn werkkamer ging ik op zoek naar oude boekjes van Sarah Young. Sarah Young! Ik had minstens tien jaar niet meer aan haar gedacht. Zou haar tijdschrift nog altijd bestaan?
Als ik het goed heb verschenen haar boekjes begin jaren negentig en kocht ik ze in de tijd dat ik op een afgetrapt zolderkamertje aan de Amstel woonde. Daar sliep ik op een, zoals men het voor de oorlog noemde, circusbedje – oftewel een matras op de grond.
Een inmiddels vergeten schrijver, vroeger voerde hij het hoogste woord, beweerde ooit dat hij in seksboekjes altijd vooral naar het decor van de wanstaltige slaapkamers en smakeloos ingerichte huiskamers keek – echt iets voor een bevroren intellectueel, dacht ik destijds.
Maar nu ik voor het eerst sinds jaren weer eens door mijn oude fysiekboekjes blader, kan ik niet ontkennen dat het decor ertoe doet. Bij Sarah Young is dat altijd uiterst chique. Goed, je stuit hier en daar op een onbeduidend schilderijtje van een vaasje met wat domme narcissen, maar het is duidelijk dat de duurste hotelkamers werden gehuurd.
Aan de onderschriften bij de foto´s werd minder geld besteed. Inderdaad staan ze vol wonderlijke spelfouten. Misschien (Rimbaud schreef zijn bekentenis in 1874) is dat wel traditie.
Hoe moet het zijn om pornoboekjes te vertalen? Erg eerbiedwaardig lijkt me die bezigheid niet. Het vreemde is dat de vertaler niet vanuit het Engels, maar vanuit het Duits vertaalde. Dus staat er: ‘Uitgevig laat Mike zich op de stijve staander blazen.’ (‘Blasen’, ik zeg het er maar even bij, is Duits voor het uitvoeren van fellatio en een ‘Ständer’ is een erectie.)
Ergens anders lees ik: ‘Zo steigert het drietal zich gemeenzaam tot een gevoel van de hooglust.’
Weer ergens anders staat: ‘Toni is begeesterd van mijn nieuwe, romantisch speelse jurk. Als hij mijn toeten beroert voel ik tegelijkertijd zijn staander groeien.’
Verder is het één groot inferno van ‘stekers’, ‘staanders’, ‘prikkers’, ‘stijgeronde palen’ en ‘lang-lullige prachtekerels’. Ook valt mijn oog op het woord ‘lusgat’.
Dat ik me hier dodelijk verveel, dat had u natuurlijk allang in de gaten.
Uitgediende dandy
Woede. Woede en misnoegdheid, dat zijn de twee voornaamste gevoelens die ik hier ervaar. Woede op de VPRO die me hier drie dagen lang zonder noodtelefoon laat zitten. Woede op de radiokoerier die niet langer dan twee minuten met me praat. Woede op dit vaarhuis, dat me nog het meest aan die lugubere boot uit Cape Fear doet denken en waar elke nacht de stroom uitvalt. Woede op David Pefko die me voor mijn vertrek, anders dan hij beloofd had, geen slaaptabletten gaf. En woede op mezelf, die zo onnozel, zo stompzinnig en bezopen was te denken dat ik in Friesland wel even tot grote hoogten zou stijgen. Waarom ben ik in godsnaam niet een week naar Berlijn gegaan? Daar is het me wel altijd gelukt te dichten. En zo ijsbeer ik als een uitgediende dandy met twee domme kaplaarzen door de regen over dit !!!$!!##(($*#=#$!!!-eiland.
Feindbeobachtung
Ik mag hier dan ganz und gar allein zijn, zo voelt het niet en dat komt natuurlijk door mijn Duitse buurman. Als ik mijn verrekijker gebruik is dat niet om een of andere Haakbek, Zwartkopgors of Roodkeelpieper te ontwaren, maar om te kijken of ik hem ergens zie zitten. Feindbeobachtung – zoiets.
Het lijkt me sterk dat hij mij niet in de gaten heeft. Aan de andere kant: wat zou hij zich om mij bekommeren? Waarschijnlijk wil hij gewoon met rust gelaten wil worden.
Toch zou het best kunnen dat de Boeddha van de surfplank op een dag naar mij toe komt roeien, helemaal compos mentis lijkt hij mij niet. Eigenlijk vraag ik me vooral af wat hem ertoe dreef om op dat eiland neer te strijken. Bij Arthur Schopenhauer las ik gisteravond: ‘Er schijnt nog een bijzonder soort zelfmoord te bestaan, die volstrekt verschilt van de gewone en die wellicht nog niet voldoende als zodanig wordt herkend. Het is de vrij gekozen hongerdood op het hoogtepunt van de ascese.’
Wat u niet kunt weten is dat ik hier al twee dagen zonder noodtelefoon zit. Tot mijn ontreddering weet de radiokoerier niet welke pincode ik moet intoetsen om het toestel weer aan de praat te krijgen. Dit wordt mijn derde dag zonder noodtelefoon.
Gisteren beweerde ik dat de vogels op het eiland vooral hun geilheid zaten uit te kramen. Dat klopt natuurlijk niet. Het is november, niet april en zeker niet mei. Waarschijnlijk zullen ze elkaar nu vooral waarschuwingen toeseinen.
Bij mijn vertrek gaf ik mijn zus het nummer van de noodtelefoon voor het geval mijn moeder mocht overlijden. Ze is er al jaren slecht aan toe.
Een tijd geleden schreef ik een gedicht over haar waar inderdaad vogels in voorkomen. U, die zoveel van de natuur houdt, u zult ongetwijfeld van die dieren houden omdat ze zo mooi en zo weerloos en zo onschuldig zijn. Maar heeft u er wel eens bij stilgestaan dat niet één volwassen dier nog een herinnering aan zijn verwekkers meedraagt? Daarover gaat:
Kamer 421
Mijn moeder gaat kapot. Ze heeft een hok,
nog net geen kist, waar ze haar stoel bepist
en steeds dezelfde dag uitzit. Uitzicht
op bomen heeft ze, in die bomen vogels
en geen daarvan die zijn verwekker kent.
Ik ben al bijna veertig jaar haar zoon
en zoek haar op en weet niet wie ik groet.
Ze heeft me voorgelezen, ingestopt.
Ze wankelt, hapert, stokt. Ze gaat kapot.
Geen dier, zegt men, dat aan zijn moeder denkt.
Ik lepel bevend eten in haar mond
en weet niet zeker of ze me nog kent.
Het zullen merels zijn. Ze zingen door.
De aarde roept. Krijgt vloek na vloek gehoor.
Menno Wigman, zonder noodtelefoon, vanaf Senneroog
Gesprek van de dag
‘Kom je hier vaker of ben je een invaller,’ vraag ik de radiokoerier.
‘Nou, we zijn een boot aan het takelen, dus ik val even in. Maar ik heb wel andere schrijvers gezien. Niet dat ik ze lees verder.’
‘Dat mag.’
‘Heb je al een zeearend gezien?’
‘Had ik die moeten zien dan?’
Radioverslag van Menno Wigman (1)
Hij zal waarschijnlijk een heleboel mensen tegen hun hoofd stoten, maar sinds zijn twintigste kan de natuur hem gestolen worden. De natuur doet Menno niks. Er zijn veel vogels, maar afgezien van papegaaien interesseren vogels hem niet. Hij zit hier, ver van Amsterdam, ver van zijn vriendin, en hij valt al behoorlijk uit de tijd. Dat is de bedoeling van zijn verblijf. Als je gedichten wilt schrijven dan moet je diep in jezelf afdalen. Het enige wat daarvoor nodig is is concentratie. Ongetwijfeld zal hij steeds meer uit de tijd vallen. Dat is ook de reden waarom hem het verblijf op Senneroog aantrekkelijk leek.
Podcast: Speel af in een nieuw venster | Download (Duur: 9:39 — 11.1MB)







