15 gasten worden elk een week opgesloten in een drijvend huis, ver van de bewoonde buitenwereld zonder moderne media.

Senneroogse kronieken (1)

Geplaatst op 27 september 2010 door Redactie onder Atte Jongstra, Teksten

fotoattejongstraWij bevinden ons op een slikfoetus in zijligging. De huid is behaard met riet, dode berenklauw en hier en daar een grasplek. Ter hoogte van het ribbenkastje trof ik wilgenstruiken, bij het heupje elshout, ik vond wat hakhout op het kniegewricht. Het vruchtwater klotst rondom.
Eerste verkenningen op het ongeboren eiland Senneroog. Pioniers vóór mij hebben de eerste delen alvast in cultuur gebracht. Ik vond een spoor dat op een rondwandeling lijkt. Het komt steeds uit op hetzelfde punt. Jezelf. Dat houdt de pas erin bij iemand als ik, die zijn diepste wezen hardnekkig blijft vermijden.

‘Als je alleen bent, verkeer je in slecht gezelschap,’ heeft Sartre eens gezegd. Nu, kwade vrienden mijdt men als het kan. Buiten blijven dus, doorlopen. Want in de drijvende blokhut die ligt aangemeerd tegen het Senneroogse foetusbuikje zit misschien wel de onaangenaamste aller ikken hier ter plaatse koortsachtig op zijn toetsenbord te slaan. Tekst. Wat eens begon als jongleren in de vrije tijd, spel, is verworden tot typomanisch hamerwerk. Slavenarbeid. Rood hoofd, roken, wijn.

We schrijven eind september. Soms regent het en moeten we naar binnen met ons allen, in de blokhutboot. Krijgen we scenes, want daar zit hij. Hij wil dingen van ons, om op te schrijven.
‘Geef me stuff! Harde brokken. Mag het ergens over gaan wat ik te schrijven zit? Wees daarbij wat guller met gevoel, geef me zicht. Wat gebeurt er buiten? En heren… Gaan er dingen om in ons verstand?’

Vanochtend begon de eerste volle dag alhier. De zon deed een lamme poging, je kon het nauwelijks zondag noemen. Er was dreigend zwerk. Dat spuugt al uren kringen in het water.
Deze laatste zin bracht ik naar onze ikken-secretaris, die er kort op kauwde en me toen weer de druppelnatuur inbonjourde, voor tekst van meer portée.
‘Met gezwijmel kom ik nergens.’
Wij weer naar buiten.
Ik hoorde hem in ‘t voorbijgaan typen op de maat van Bach. Wat zou hij schrijven?

Met wie zijn wij hier? De secretaris noemde ik al. We besloten tot projecten om hem van de wal te houden, aan boord, vlottend met zijn werk. Onder ons deelden wij de functies uit. Er is een Eerste Stokkensnijder, een Commissaris Encyclopedie, een Keukenhoofd. Zojuist dacht een of andere onverlaat hier aan te meren, met een plompe schuit vol nieuwsgierig volk. Hij werd afgeblaft door de Souschef Oeverdienst, die zorg draagt voor noodzakelijk isolement. Er volgden er nog twee, in ranker wankelmoterdrijvers.
‘Wend de steven. No passeran!’
De Souschef is dus al vol in functie. Nu de anderen nog. Zo tellen wij een Supervisor Imaginaire Geschiedenis, voor het historisch fundament van ons verblijf. Zijn dienst is nog niet ingegaan. Hetzelfde geldt voor het Pieperhoofd van het Plantingsministerie. Wel weer werkzaam is de Tweede Hannekemaaier van Departementale Ontginningen, en… Ik vergeet nu – met excuus - vast nog twee of drie van de broederbond van ikken. Het zijn er nogal wat.

En wie ik ben? Chef Déroutage. Ik fluister onze secretaris teksten in.

Het heeft iets van een eigen Republiek, die aan een vrijstaat zou doen denken (Vrijstaat Senneroog) als niet de drukke buitenwereld aan alle overkanten ons omsluit. Die buitenwereld is contactgebied, het intermenselijke land van internet. Waar het zindert, waar het grind onder naderende voetstappen immer knerpt. Waar men in verbinding is.

Hier is niets. Men staat van alles vrij.

Ze stuurden een bewaker op ons af. Ik zag hem heden ochtend door een kijker ten westen op de dijk staan turen, om te kijken wat wij doen. Zijn naam is Jan. Een stralende jagerman. Hij had zijn krachtfiguur tussen vliegtuigvleugels gewrongen en kwam vanmiddag ter controle in een F-16 over. Helicopters heeft hij ook, en grote boten. Zogenaamd om ons te redden als het moet.
Men is bevreesd voor de ontwikkelingen die wij in scene zetten, hier op de foetusplaat. Met kent ons voortvarend Ontginningsdepartement, en de noeste krachten van de Eerste Stokkensnijder.

Er zitten echter andere kanten aan. Want wat als ons bestaan vergeten wordt? Dit ongeboren foetusland biedt grond die nauwelijks voeden kan. En dan nog komt de winter, wanneer niks meer groeit. Het is Jan die ons hier opgesloten houdt, maar het is ook Jan die ons bevrijden kan. Volgens alle Stockholmsyndroom-voorschriften en overlevingsreglementen vinden wij hem allemaal een reuze fijne vent.

Wij hebben ons heden met de natuur verstaan. We moeten wel, er is niks anders. Broeder Zilverreiger heeft ons zich laten zien, er was contact. Een duindoornstruikje prikte stekend, het vergaderd eendengenootschap heeft naar ons gesnaterd dat het een oordeel had, een eenzame meerkoet bewees ons door haar rietvlucht dat wij waren waargenomen. Ik heb onze secretaris opgedragen hier melding van te maken, wat hij tandenknarsend deed – hij vond het dun. Tevens moet worden genoteerd dat genoemde naslagwerkencommissaris een aanvang heeft gemaakt met een Encyclopedarium, het landschappelijk lexicon ter bevordering van inzicht, uitzicht. Ontworpen & uitgevoerd vol heen- en weerverwijzingen, die ons diepste wezen hartgrondig verbergen.

Dit Senneroogse schuilgaan is troost en genot gelijk. Ikken klinken, ikken blinken, zoals de dichter Staring zegt. Dat wij ons hier, op deze plaats, vertonen is slechts een wederdienst, die aarzelend wordt verleend. Liefst zouden wij nooit meer van ons horen laten.
Onmiddellijk protest van onze secretaris:
‘Dat laatste is regelrechte quatsch! We hebben vrouw en kroost, en dan nog drieduizend lieve Facebookvrienden…’
Altijd dwars, daar is hij schrijver voor. Ditmaal draaide het zelfs op heuse werkstaking uit.
Zodat ik het schrijfbord nu hoogstpersoonlijk zelf ter hand genomen heb, terwijl hij – heengezonden - in arren moede over het eiland zwerft. Ik zag hem al driemaal voor het raam langs schuiven. We wachten met zijn allen tot hij smeekt of hij weer naar binnen mag.

Wij drinken thee, declameren verzen van de dichter Bilderdijk:
Daar ik in eenzaamheid ons-zelven onderhield,
het hart stond voor ’t begrip van ons niet meer open,
We waren door een stillen geest met eigen oog bezield…
Zo gaat de zondag voort in millimeters. Tijd die vordert als een schaap door ’t veen. Verveling? Toch geen sprake van. We ouwehoeren voor het vaderland. Blinken, klinken, bonte boel. Schuddebuiken, zo onder ons. Laat Sartre maar wat praten. Wij zijn bijzonder genoeglijk in vereniging alleen.
Hoor ik daar onze secretaris op het blokhutbootdeurtje kloppen?
‘Ach kom toch binnen lieve vriend! Van onze ikken laten wij niemand buiten staan!’

(Morgen in deze kroniek: mededelingen van de Supervisor Imaginaire Geschiedenis.)

2 Reacties op “Senneroogse kronieken (1)”

  1. Marrie van der leden zegt:

    Hier hoopte ik op, het echte genieten!!
    De taal!! Het brein!
    Ga meteen op zoek naar zijn boek(en)

  2. karin s. zegt:

    Beste Heren Atte,

    Dank voor dit relaas van de bonte broederbond vanaf uw ongeboren eiland. Ik wijs u hierbij, via de gebruikelijke rooksignalen, op het mogelijke gemis van een ‘vroedvader’ binnen uw gezelschap. Die zou op dit foetesland nog van pas kunnen komen.
    Wat betreft het overleven in geval van langerdurende rampspoed aan de vaste wal (of als Jan het af laat weten), heeft U al gedacht aan het onderwater beleid, meervruchten en koudbloedigen? Of de eendenjacht, natuurlijk.

    Met de beste wensen aan allen,

    liefs Karin S.

Laat een reactie achter