laatste stukjes uit nrc.next
maandag, 15 juni, 2009
nrc.next, vrijdag 14 juni
Er is een nieuwe vrijwilligster in het bezoekerscentrum van het terpdorp. Ik noem haar Els. Els oogt gedreven, praat gedreven en veert voortdurend op uit haar stoel om haar verhaal kracht bij te zetten. Naast haar zit een vrouw die hier al jaren vrijwilliger is. Zij zegt niets. Ik noem haar Trijntje. Trijntje zit rustig op een stoel en wacht tot er bezoekers verschijnen die met haar de terp op gaan voor een rondleiding.
Els probeert een dialoog op te zetten: ‘Dat schilderij daar, wat vind je daarvan Trijntje?’
(lange stilte)
Els, zelf dan maar weer: ‘Het is misschien wat abstract.’
Na tien minuten krijgt Els, vrij onverwacht eigenlijk, Trijntje aan de praat. Ze vraagt iets over de terp. Dat is voor Trijntje het signaal om de tekst van haar rondleiding halverwege op te pakken en tot het einde aan toe op te dreunen. Op fluistertoon.
Els (verbaasd): ‘Is dit hoe je het ook doet op de terp?’
Trijntje: Ik denk van wel.
Els (beoordelend): Er zit niet veel intonatie in, is het wel?
Trijntje: Nee, dat niet.
Els (concluderend): Het is wat eentonig, sorry dat ik het zeg, je mag me slaan hoor.
Trijntje: Soms ga ik wat snel.
Els (zelfverzekerd): Je hoeft het natuurlijk ook niet zo te doen als ik.
Trijntje: Ja, dat weet ik.
Els (bemoederend): Kijk eens, je weet ‘t al.
nrc.next, maandag 15 juni
“Welkom terug van de terp.”
“Dank je.”
“Wat is je het meest bijgebleven?”
“Ik denk het feit dat ik echt alle tijd had om met mensen te praten en rustig om me heen te kijken. Ik hoefde niet snel een verhaaltje te halen.”
“Nog veel radio-opnames gemaakt?”
“Nee, dat is nog zoiets. Ik liep meestal rond met mijn schriftje, zodat ik ongemerkt gesprekjes en situaties kon opschrijven. Voor het eerst zag ik dat ik met mijn microfoon veel bedreigender ben dan met een schriftje. Bovendien kon ik mijn belevenissen in een geschreven tekst veel nauwkeuriger weergeven.”
“Naar je hand zetten bedoel je. En wat ga je dan met die verhalen doen in de radio-uitzending?”
“Eh, nou, het leek me ook leuk om, het is volgende week immers ‘de Week van het Luisterboek’, om dan korte verhaaltjes over de terp voor te lezen.”
“Je hebt er ook nog een excuus voor gevonden zie ik.”
“Ach, waarom ook niet.”
“Nou succes. Tot slot nog even iets anders. Denken de lezers nu echt dat er iemand anders is die jou dit interview heeft afgenomen?”
“Dat denk ik wel.”
“Die hebben niet door dat jij dit bent?”
“Nee, dat denk ik niet.”
“Ik weet het nog niet zo net met dat geschreven woord van je.”




