Vlak voor vertrek
dinsdag, 2 maart, 2010Voila, we zijn onderweg. Nou ja, bijna dan.
Vlak voor vertrek from chris bajema on Vimeo.
Voila, we zijn onderweg. Nou ja, bijna dan.
Vlak voor vertrek from chris bajema on Vimeo.
Overmorgen gaan we op weg naar Frankrijk. In de fietssporen van Aagje Bonnema, de vrouw die in 1927 met haar buitenechtelijke kindje op een transportfiets naar het zuiden van Europa trok.
In de twee archiefdozen die we van haar achterneef hebben gekregen zitten heel veel folders, boekjes, papieren, schriftjes etc. Op vrijwel al het drukwerk heeft Aagje haar aantekeningen achtergelaten. Hieruit bleek eerder dat Aagje gedichtjes schreef en ontwerpen voor tuinen maakte. Een ander bijzonder voorwerp is een AVRO kookboekje dat ze tijdens haar reis waarschijnlijk bij zich had. We vinden er voortdurend minieme tekstjes over gerechten die ze gekookt heeft.
Dennis, onze eigen kok en chauffeur, heeft dagboekaantekeningen en stukjes over het eten onder zijn hoede genomen en was blij verrast.
Dennis: “Ze kookte eenvoudig, maar dat wil niet zeggen dat ze zo maar wat deed. In tegendeel zelfs. Je ziet dat ze weet hoe ze moet koken. Ik geloof zelfs dat ze in haar bakfiets verschillende kruiden bij zich had. Het allerleukste wat ik heb ontdekt is dat ze onderweg bij mensen aanbood om eten te koken en hun tuinen te verbeteren. Ze was helemaal in de ban van wat ze noemde ‘een jaarrond‘ tuintje, een moestuin die het hele jaar voedsel oplevert. Dit alles deed ze natuurlijk met als tegenprestatie dat ze mocht blijven overnachten.

Soms was er zo’n leuk contact dat ze meerdere nachten bij iemand bleef logeren. De eerste keer dat dat gebeurde was in het Belgische Roborst, waar ze zowel bij de bierbrouwerij alshet verderop gelegen kasteeltje een aantal nachten verbleef. Vandaar dat we daar dinsdag als eerste naar toe gaan. We gaan Aagje als het ware nog één keer naar de inwoners terugbrengen. We nemen aan dat ze met haar bakfiets een enorme verschijning zijn geweest. Eigenlijk hopen we dat ze op de een of andere manier nog aanwezig is in het dorp. Ik zal de de inwoners sowieso verrassen met een gerecht dat ze daar meer dan 80 jaar geleden al eens gekookt heeft: Rillettes; een grote klassieker van de oude school. Het is een soort oerpastei: varkensvlees, varkensvet, zout en peper. Ik maak er een klein pateetje van en we eten het lekker bij aankomst met een stokbroodje (en een wijntje).”
Het idee is dat we dinsdagavond onze bussen op het dorpsplein parkeren, twee tafels met bankjes neerzetten en de inwoners een kleine maaltijd aanbieden.
Tussen alle brieven van Aagje Bonnema hebben we ook een aantal kleine gedichtjes gevonden. We denken dat ze die onderweg voor haar kindje schreef. Een soort wiegeliedjes dus. Dennis (onze kok, maar ook gitarist en componist) zal proberen er muziek onder te componeren, zodat we onderweg een liedje kunnen zingen.
Hier is alvast een gedichtje van Aagje.

Van het haantje
Slaap maar zalig in m’n armen dit paleis is al te guur
Weldra waaien zeven winden ons naar een warme boerenschuur
We slapen achtentachtig nachten
Tot het haantje ons daar staat te wachten
Dan is het lente en je zegt ‘bonjour’ tegen de kippen van de boer
Uit de nagelaten aantekeningen van Aagje Bonnema hebben we het volgende verhaal kunnen construeren.
Aagje is van goede komaf en woonde aan de Amsterdamse grachten. Haar familie had fortuin gemaakt in de handel. Ze schrijft ergens over ‘vaders hete ijzer dat hij tot goud smeedde’, dus we vermoeden dat het iets met ijzer, staal of legeringen te maken heeft gehad.

De familie had een buiten waar ze in de zomer vertoefden. Daar heeft Aagje een grote liefde opgedaan voor (moes)tuinen. Er staan veel zinnen in haar brieven als: ‘Oh liefste, je had de struik vol van Aalbes moeten zien, zoo knapvol sap, zoo heerlijk zoetbitter’. Die liefste waar ze haar brieven aan schrijft is de vader van haar zeven maanden oude zoontje Theo. Deze Lodewijk is, voor zover we het nu kunnen overzien, de zoon van de fietsenmaker in de buurt van het zomerhuis. Met hem heeft ze in de winter van 1925-1926 een zeer amoureuze verhouding aangeknoopt, waar Theo dus uit is voortgekomen. Nadat Aagje, in verre afzondering van haar familie, haar kind ter wereld heeft gebracht, hoopte ze nog een tijdje dat ze weer in haar ouderlijk gezin zou worden opgenomen. Dit bleek een misvatting te zijn. Toen ze een keuze moest maken tussen haar familie of haar kind is ze van de ene op de andere dag op haar bakfiets naar het zuiden gereden.
Waarschijnlijk voelde Aagje zich sowieso niet helemaal thuis in het sjieke gezin. Ze schrijft over haar grote liefde voor ‘de eenvoudige mensch’ en diens ‘voeling met plant en dier’. Haar droom was dat iedereen ’een jaarrond tuintje’ zou hebben, een moestuintje dat het hele jaar eten gaf. Ook het feit dat ze een pijp rookte lijkt ons een typische aanwijzing dat ze zich van haar familie wilde afkeren. Pijprokende vrouwen waren vroeger niet zeldzaam, rijke vrouwen die pijp rookten wel.
In de stapels papieren vinden we een heleboel tekeningetjes van tuintjes. Op een van de tekeningen staat de naam Roborst geschreven. We denken nu dat Aagje, om onderweg wat geld bij te verdienen, mensen hielp bij het aanleggen of verbeteren van hun tuintjes. Voor ons is het nu een uitdaging om te kijken of we het tuintje in Roborst kunnen terugvinden. Vandaar dat we daar volgende week als eerste heen zullen rijden.