
‘Deze strontlucht vind ik nog wel te harden.’
Zijn vader, zoals alle grote geesten van deze tijd, is een man van overzichtelijke voorkeuren, die tezamen neerkomen op een voorliefde voor de stad, een hekel aan het platteland, dat in zijn opvatting begint zo net na het Amsterdamse Bos. Een stadsmens, die stilte hoort als een overweldigend geruis waar ieder normaal mens zijn verstand bij verliest, die de lucht van buiten de ring vindt stinken, zonder te kunnen omschrijven hoe deze ruikt.
Jaren die ze scheiden, vader en zoon, en beiden terechtgekomen in een levensfase die wordt bepaald door een teveel aan tijd. Hij met pensioen, het einde van werken, de zoon aan de scriptie, het einde van studeren. Maar nu doen ze nog alsof ze andere personen zijn, de een jong, de ander oud, de een die wil vertellen, de ander die wil luisteren.
Ze gaan over heuvels en door bossen. Brabant, het land waar de vader is geboren.
In Amsterdam praten ze weinig met elkaar. Dat doen ze eigenlijk alleen wanneer ze in de auto zitten, in beweging zijn, het liefst met muziek op.
‘Wist je dat ik hier vroeger op vakantie ging met mijn vader?’ vraagt hij aan zijn zoon, met voorzichtige stem.
‘Nee.’ Hij kijkt naar buiten, ziet alleen maar bos. ‘Wist ik niet.’ Donker groen, een diepte van kleur die hij niet kent van thuis. ‘Waar dan eigenlijk?’
‘Bij een van de meren achter de bomen. Je ziet ze niet. Je moet ze kennen om er te komen. Vakantie met een tent. Ja, toen kampeerden mensen nog.’ Zijn hand gaat naar de radio, hij haalt het cassettebandje uit de speler, draait het om en stopt het er weer in. Grote geesten wantrouwen technologie, ze geloven in cassettebandjes. ‘En nu ik erover nadenk: zo vreselijk was het niet. Nee, het had wel wat. Zou jij weleens willen kamperen?’
‘God, nee.’
‘Nee, nee, ik ook niet, hoor.’ De muziek kraakt. Hij draait aan een knop, het geluid springt van de ene box naar de ander. ‘Nee. Voor geen goud.’
Bij een oorlogsmonument zet zijn vader de auto langs de kant, het beeld van een generaal op een paard. Zijn vader staart lang uit het raam, ziet hij dingen die zijn zoon niet ziet, of wel ziet maar niet begrijpt. Ze stoppen bij het ouderlijk huis; voor de zoon een rijtjeshuis als ieder ander. Ze blijven in de auto. De zoon vraagt niets, wacht tot zijn vader begint te vertellen. De vader blijft stil. Hij kijkt, zwijgend stelt hij zijn herinneringen scherp, woorden leiden af. De zoon kijkt mee, probeert zijn gedachten achter die van zijn vader aan te sturen, maar hij kent de richting niet.
Ze remmen, kijken, en rijden verder.
Wanneer het cassettebandje weer afslaat wordt geen nieuw opgezet. Ze rijden nu al minutenlang in de schaduw, de bomen strekken zich uit boven de auto, Brabant neemt ze op en plaatst ze vaderlijk buiten het bereik van warmte. Soms een streep licht die op de gezichten valt, de zon straalt in morse.
Op de terugweg passeren een bordje. ‘Grebbeberg’. De auto heeft moeite omhoog te gaan, het bos houdt niet op, de helling tilt ze met veel moeite omhoog. Van de berg zelf zien ze niets. De auto gaat te snel.
Aan de voet ligt een begraafplaats, waarvan een deel vol staat met witgrijze stenen, het zijn er honderden, ze staan perfect opgesteld, trouw in gelid. Voor het eerst die dag stappen ze uit.
Voor het graf van zijn vader, zijn grootvader, blijven ze staan. De vader vouwt zijn handen op zijn rug, het maakt hem plechtiger dan zijn zoon hem ooit gezien heeft. ‘Wist je dat de enige dingen die ik nog van hem heb zijn reserve-uniform en zijn kunstgebit zijn? Dat uniform heb ik nog steeds in mijn kast hangen. Achter mijn vergaderpakken en stropdassen. En dat kunstgebit. Zo’n ding was duur. Kun je je nu niet voorstellen. Om het maar niet te verliezen heeft hij het thuis gelaten toen hij werd opgeroepen. Toen we die bruine envelop in de bus kregen was het eerste wat mijn moeder deed dat gebit uit het glas naast de wasbak halen om de tanden schoon te poetsen. Gewoon met een tandenborstel. Alsof ze mijn tanden aan het poetsen was.’
Zijn zoon kijkt naar de naam op de steen. Zijn naam.
‘Rare tijden,’ zegt zijn vader, waarna hij met militaire precisie naar rechts draait en wegloopt.
Naast de heuvel met dezelfde naam staat pannenkoekenhuis Grebbeberg. Op de menu’s staan afbeeldingen van beren met koksmutsen. Zijn vader kiest ‘Heuvelrug’, met champignons en spek, hij kiest ‘Grebbeberg speciaal’, met veel ui. Beiden bestellen koffie. De bomen laten weer ruimte voor wolken, die een voor een open breken van water. De plensregen zet de kleuren van het land groots aan. Ze eten hun pannenkoeken, die groter zijn dan ze hoopten. Ze wachten tot de regen ophoudt. De zoon voelt zijn tanden op en neergaan, voor het eerst dat hij dat bewust doet, en vraagt zich af of kunsttanden anders voelen dan echte.
Wanneer ze naar buiten stappen, realiseren ze zich dat morgen weer een werkdag is, maar dat werkdagen voor hen niet bestaan, dat zij uitzonderingen zijn, wat ze ook doen. De auto ruikt muf, zoals auto’s doen na lange regenval. De vader heeft lang nagedacht over wat hij wil zeggen. Iets van wijsheid. Zoiets waarmee je een vaderzoontocht besluit. Als je ooit een zoon krijgt, laat hem de wereld zien. Maar nu denkt hij aan een witgrijze grafzerk, aan een uniform dat hij weer eens tevoorschijn moet halen, aan de zware pannenkoek. Hij start de auto. Zijn wijsheid is een mompeling die zijn zoon ternauwernood kan verstaan. ‘En weer verliet men kreunend de Grebbeberg.’
+f(png)/image.png)
+f(png)/image.png)