stuchdr


Dat het haar aandacht trok, weet ze aan haar oog voor detail. Niemand zou er lang naar kijken. Ieder ander had zijn blik er hooguit een seconde op laten rusten en vervolgens zijn schouders opgehaald. Wat wilde je, het was sociale woningbouw.

Ze besloot er niet meer op te letten. Ze ging er wonen zoals je uit geldgebrek ook een oude jas blijft dragen. Bij het witten van de muren liet ze haar kwast pinnig om het bultje dansen. Onrust maakte plaats voor fletse acceptatie.

Sommige dagen waren zonder reden erger dan andere. Vandaag voelde ze het direct toen ze wakker werd. Nog voor ze zichzelf toestond een gedachte vorm te geven in het eerste schaarse daglicht, legde het beslag op haar. En hoewel de huiskamer met een gangetje van haar slaapkamer verwijderd was, raakte het haar aan. Het pulseerde, het ademde. Het was alsof het zich tijdens haar slaap voorbereidde. Sluimerend de val voor haar open zette.


Ze stond op. Ze liep voorzichtig door de gang en voelde de afmetingen nog voor ze ze zag. Het trok, zoog en sleepte haar naar de huiskamer. Haar voeten verloren hun grip op de vloerbedekking. Het nam haar op en alles werd onontkoombaar zwaar.

Misschien zoog de bult alle zuurstof in het huis op, of misschien was het het gebrek aan daglicht, doordat de kleine ramen bedekt werden door de zwellingen van gips, maar als ze eenmaal buiten was zoog ze de wereld op alsof ze eraan wilde sterven. Op zoek naar een shot leven laafde ze zich aan de banale kakofonie van de straten.


Elke straatnaam las als poëzie, elke berg afval was een kunstwerk. Elke straatmuzikant wilde ze aanklampen, op zoek naar, ja naar wat? Iets moois, desnoods iets lelijks, maar iets dat haar het gevoel zou geven dat ze leefde. Beroering op afroep.

Langzaam liep ze door de stad. Ze stelde zich voor dat ze een verdwaalde toerist was en dat het zwerven daarmee legitiem was. En als ze het verdwaald zijn beu was, liep ze de buurt af om te controleren of de straten hun vaste plek hadden behouden.

Soms maakte ze oogcontact met iemand. Dan kruisten hoop en angst elkaar tussen haar ribben. Ik zou zomaar mee kunnen lopen, dacht ze dan. Ik zou met hem kunnen praten, en blijven. Niets bindt me.


Een keer liep er iemand met haar mee. Ze zei niets, maar haalde adem. Ze voelde dat haar ademhaling vrij was, niet meer synchroon met het ding dat haar in zijn greep wist te krijgen. Met de laatste lucht van de straat liepen ze de trap op.

Ze stak de sleutel in haar slot. Maar hoe ze ook tegen de deur duwde, de bult duwde terug. In immense afmetingen liet het haar weten wat haar plaats was. Die nacht sliep ze op de deurmat.

5 reacties

  1. falderappes
    3 september 2010

    De laatste zin is de beste. Van de plaatjes vind ik, van bovenaan geteld, de tiende wel goed.

  2. Yuri Keukens
    4 september 2010

    Het elfde plaatje is ook erg sterk.

  3. wow ik heb nog nooit zo’n slecht gestyleerd ‘arti’ verhaal gelezen. wordt eerst slim ga daarna schrijven, dan heeft je verhaal misschien nog enige inhoud

  4. Heerlijke tekeningetjes.

  5. @ Hmm, wordt = word. Word eerst slim en geef daarna (opbouwende) kritiek. Goed verhaal Boukje! I’m proud.

Reageer