Na het verschijnen van de vijfde editie in november 2010 gaf Eisner, het tijdschrift voor beeldromans, de geest. In de vijf nummers die sinds 2008 zijn uitgekomen heeft Eisner niet alleen geëxposeerd wat Nederland qua beeldromans te bieden heeft, het fungeerde ook als een kweekvijver voor nieuw talent. Ondanks de aanlokkelijke vormgeving en de subsidie van het Fonds voor Beeldende Kunsten was het tijdschrift echter nooit winstgevend. Wat betekende Eisner voor de Nederlandse beeldroman en wat ging er mis?
Om deze vragen te beantwoorden interviewde ik hoofdredacteur Erik Noomen en tekenaars Aimee de Jongh en Edith Kuyvenhoven.


Joop Klepzeiker revisited
Publicatie bij Eisner betekende voor een striptekenaar zo ongeveer wat optreden in De Wereld Draait Door voor een bandje betekent. Edith spreekt over haar publicatie in Eisner: “Als je in Eisner komt is het wel een vorm van erkenning”. Aimee onderschrijft dit: “Toen Eisner belde was ik vereerd, het was het graphic novel tijdschrift.” Ook spreken Aimee en Edith over andere striptekenaars uit Nederland en het buitenland waarvan ze het werk hebben leren kennen door Eisner. Het tijdschrift werkte als een plek voor kruisbestuiving voor de meer literaire strip. Met dit doel als uitgangspunt zorgde Eisner er bovendien voor dat striptekenaars die al bekendheid genoten zich van een andere kant konden laten zien. Zo resulteerde Eisner’s samenwerking met Eric Schreurs (bekend van Joop Klepzeiker) volgens Erik Noomen tot de meest visueel aangrijpende pagina’s in het tijdschrift.

Ziekte
Toch hadden de hierboven genoemde positieve punten ook bijna allemaal een schaduwzijde die aan de ondergang van het tijdschrift hebben bijgedragen. Eisner leek door haar publiek – bijna uitsluitend striptekenaars en mensen die in de branche werken – bijna een vaktijdschrift en wist met haar literaire beeldromans niet een groter en algemener publiek te bereiken. Dit kwam enerzijds door de stevige prijs (15 euro) en anderzijds door de lengte van de verhalen die in het tijdschrift zijn gepubliceerd.
Erik: “Een literaire strip heeft veel ruimte nodig. Om een degelijk verhaal te ontwikkelen heeft een tekenaar al snel vijftig tot tachtig pagina’s nodig. Eisner was vaak niet dikker dan honderd pagina’s en het was erg moeilijk voor de tekenaars om in een dergelijk kleine ruimte een sterk verhaal te ontwikkelen.” De redactie heeft over dit onderwerp volgens Erik veel gesproken. Er is nog geopperd om tekenaars meer ruimte te geven in Eisner maar enerzijds was hier te weinig geld voor en anderzijds wilde Eisner een podium blijven voor een groter aantal Nederlandse striptekenaars.

Dood en wederopstanding?
Sinds het verdwijnen van Eisner is nog geen podium opgekomen die zijn rol over heeft kunnen nemen. Misschien is dat ook niet nodig. Er zijn immers kwalitatief goede striptijdschriften uit het buitenland zoals Mome; dat vier keer per jaar uitkomt, dikker is dan Eisner en voor dezelfde prijs verkocht wordt. Toch lijken Nederlandse striptekenaars geen aansluiting te vinden bij dergelijke internationale podia. Hier wringt de schoen. Als Nederland nog wil hopen op een levendige en experimentele stripwereld, dan is het zaak voor uitgevers, tijdschriften en online magazines om meer ruimte te geven aan die striptekenaars die zowel visueel als beeldend durven te experimenteren met het medium.
Ik heb Eisner gemist. Ik leerde het tijdschrift pas kennen toen het al dood was en toch heeft het mijn ogen geopend voor de Nederlandse beeldroman. Nog steeds is het lezen van Eisner een ontdekkingsreis door de wereld van de alternatieve strip; waar woord en beeld elkaar iedere keer weer net op een andere manier treffen. Gelukkig zijn er nog voldoende exemplaren in de omloop voor diegenen die ook eens een kijkje willen nemen.

 

Reageer