De lange weg naar Cannes
12 mei 2010 | door VPRO Digitaal | in de categorie: Artikel van de dagOok dit jaar draaien er slechts een paar Nederlandse films in Cannes. Wie denkt dat een goede film maken genoeg is om daar terecht te komen, is naïef.
Door Karin Wolfs
Filmproducent Frans van Gestel heeft al weken ‘een heel erg goed humeur.’ Het door hem geproduceerde R U There van David Verbeek is namelijk geselecteerd voor het bijprogramma Un certain regard van het filmfestival in Cannes. Eind 2007 was hij een van de producenten die filmmakend Nederland opdroeg om binnen vijf jaar een film in de hoofdcompetitie van het festival der festivals te krijgen: de heilige graal voor meerdere generaties filmmakers sinds Jos Stelling 35 jaar geleden de laatste was die met zijn Mariken van Nieumeghen die eer te beurt viel.
We zijn inmiddels halverwege het ultimatum. Hoe ver is filmland Nederland nog van de hoofdprijs verwijderd?
Volgens René Goossens, coproducent van het Vlaamse debuut Lost Persons Area dat vorig jaar in de Semaine de la critique draaide, krijgen Nederlandse makers meer aansluiting bij de internationale filmwereld, omdat ze vaker in het buitenland rondkijken. Ze moeten ook wel, want het bijeenschrapen van een redelijk budget binnen de landsgrenzen wordt steeds lastiger. Een geluk bij een ongeluk lijkt het haast wel. Goossens legt uit: ‘Doordat je met buitenlandse collega’s inhoudelijk over projecten praat, krijg je meer inzicht in hoe in het buitenland scripts worden geschreven en hoe films tot stand komen die de weg vinden naar de buitenlandse filmfestivals. Daarmee gaat de standaard voor Nederlandse films omhoog.’
Toffe peer
Meedoen in een buitenlandse filmproductie kan een producent om nog een andere reden vooruit helpen in de wereld. Stienette Bosklopper, die vorig jaar coproducent was van Tsai Ming Liang’s Visage, dat in de hoofdcompetitie draaide, weet daar alles van. ‘Een plekje veroveren in Cannes is net zoiets als exposeren in het MoMa: je bewijst ermee dat je een toffe peer bent.’
Wat het ‘toffe peer’- predikaat voor de rest van je filmwinkeltje kan betekenen, weet Frans van Gestel. In 2007 had hij een aandeel in het voor de hoofdcompetitie geselecteerde Stellet Licht van Carlos Reygadas, dat toen ook nog eens de juryprijs in de wacht sleepte. Van Gestel: ‘Daardoor worden we door internationale salesagenten benaderd die benieuwd zijn naar waar we nog meer mee bezig zijn. Sinds ongeveer een jaar vliegen er zelfs salesagenten naar Amsterdam om te zien in welke projecten ze kunnen deelnemen. Zo hadden we Mijke de Jong met Joy op het festival van Berlijn met de grote internationaal opererende salesagent Bavaria aan boord: die zit nu ook met geld in onze productie Black Butterfl ies met Carice van Houten en Rutger Hauer.’ Het heeft een nieuwe functie opgeleverd: sinds een half jaar heeft Van Gestels bedrijf een ‘head of coproductions’.
Voetbal
Ondertussen wordt er in de wandelgangen heel wat afgeborreld. Niet alleen gesprekken over film blijken een band te scheppen in Cannes. René Goossens: ‘lk maak ook legio praatjes over het mooie weer of de belabberde kwaliteit van de koffie. Daar hoeft niet per se wat uit te komen, maar als je in de toekomst iemand nodig hebt voor een coproductie met een bepaald land, ligt het opeens voor de hand die ene van dat kopje koffie te bellen.’
Frans van Gestel: ‘Voetbal speelt een belangrijke rol in mijn buitenlandse contacten. Ik ben bevriend met de jongens van Pandora – een grote producent uit Keulen – sinds ik die heb leren kennen bij een potje voetbal in Cannes. Op een echt voetbalveld in Cannes speelt ‘Europa’ elk jaar tegen ‘de rest van de wereld’. Ik was linksbuiten en Karl Baumgartner linkshalf. Hij gaf mij steeds halve bal-voorzetjes en ik schoot ’m erin.’
Ook regisseur Urszula Antoniak gaat – dit jaar voor het eerst – in Cannes op zoek naar goeie contacten. Met haar tweede film Code Blue – die nog moet worden gedraaid – heeft ze zojuist een plekje veroverd in het Atelier van Cannes: een ontmoetingsplek voor makers en financiers.
Antoniak: ‘Het is heel erg naïef te denken: ik heb een mooie film gemaakt, die gaat gezien worden. Ik hoor van alle kanten zeggen: je moet op een bepaalde manier opvallen. Er worden jaarlijks 5000 films naar Cannes gestuurd: my god, wie ziet ze eigenlijk?’
Producent Reinier Selen heeft ervaren hoe connecties een film vooruit kunnen helpen. Hij produceerde Antoniaks debuut Nothing Personal, dat vorig jaar in de hoofdcompetitie van het internationale filmfestival van Locarno zes prijzen won, waaronder een Gouden Luipaard voor het beste debuut. Selen: ‘We hadden voor Nothing Personal de grote gerenommeerde salesagent Bavaria aan boord: die heeft een ontzettend goede festivalstrategie: drie man die continu met festivalaanmelding en complete portefeuille kan effectiever lobbyen dan wij als zelfstandig producent met maar één film in de aanbieding.’
Het kan zo bezien ook geen toeval zijn dat het voor Cannes geselecteerde R U There een Franse coproducent en Frans/Duitse salesagent op de aftiteling heeft staan. Producent Frans van Gestel: ‘De gunfactor in de internationale industrie is enorm hoog, ook tussen festivals en producenten: dat kan bepalen of een film op een festival een plek krijgt.’
Boerenpummels
Maar met contacten alleen kom je er ook niet. Bosklopper legt uit: ‘Ik weet nog dat ik Calimucho van Eugenie Jansen – die uiteindelijk draaide in het Forum van Berlijn – had aangeboden aan Venetië. Ze hadden de film bekeken en zeiden tegen promotiebureau Holland Film: ‘Mooie film, maar we kunnen ons niet voorstellen hoe het Italiaanse publiek naar dit soort lelijke mensen moet kijken.’
Kwestie van perceptie: kokette dames op hoge hakken versus karrenpaarden. Wij vinden al die Franse en Italiaanse films prachtig en zij vinden ons boerenpummels. Dan zijn er twee opties als je toch indruk wilt maken: Óf je moet het karrenpaardschap weten uit te dragen à la Van Warmerdam, óf je moet jezelf uitvinden.’
Om tot de familie van grands auteurs in de hoofdcompetitie door te dringen is eigenheid een voorwaarde, aldus Bosklopper: ‘Dat vereist een uitgesproken vorm en in toenemende mate een bepaald charisma, wat ik gemakshalve het Tarantino-gevoel noem. De luidere films, die spraakmakend zijn, rukken op. Vanuit Nederland worden zulke films niet gemaakt. Zolang wij niet een diepste idee hebben van wie we zijn, zijn we dolende zielen die dolende films maken.’ Reinier Selen denkt dat Antoniaks Code Blue in staat zou kunnen zijn om over twee jaar de competitie te halen. Antoniak zegt onomwonden dat dat haar ambitie is. Ze heeft een Frans productiehuis aan boord en Lars von Triers productiehuis Zentropa. Nu nog een Franse salesagent. En niet te vergeten: de film.
Antoniak: ‘Je moet eerst de aspiraties hebben, dan het niveau van denken, en vervolgens een thema dat aanslaat: eigentijds, diep. De stijl vloeit daaruit voort. Als je in plaats van het verhaal je film kunt formuleren in termen van de thematiek, is een eerste stap gezet op weg naar een eigen signatuur. Code Blue gaat over het taboe op de dood in onze op vooruitgang gestoelde westerse wereld: een maatschappij die is verdeeld tussen gezonde en zieke mensen. Het is tricky maar ook heel uitdagend om daar een film over te maken.’


De Deense oorlogsdocumentaire Armadillo van Janus Metz heeft de Grand Prix van de Semaine de La Critique in Cannes gewonnen. Armadillo is een documentaire die de vervreemding, paranoia en adrenalineverslaving van jonge Deense soldaten in de vuurlinie van Helmand, Afghanistan, onder het vergrootglas legt.